Oma Odilia Meyers is op 14 juli 1939 om 13u geboren uit het huwelijk van Anna Catharina Welkenhuyzen (geboren 14 december 1905? hier gaan we later dieper op in) en Theodorus Meyers (23 december 1896). We spitten op deze pagina uit hoe het zover is kunnen komen.

Dubbelportret, wellicht bij gelegenheid van het huwelijk van Anna Welkenhuyzen en Theodorus Meyers op 5 april 1929.

Welkenhuyzen

De eerste naamdrager van de familie von Welkenhausen / van Welkenhuyzen zou Dietrich von Welkenhausen zijn, een 14de eeuwse ridder in het huidige Luxemburg. Hij nam die naam aan omdat hij in het bezit was van de burcht Welckenhausen. Die burcht werd rond 1394 verwoest door de legers van de bisschop van Trier, maar het gelijknamige dorpje Welchenhausen bestaat nog steeds.

Vanaf de 16de eeuw verschijnt de naam Welkenhuysen onder allerlei vormen in de omgeving van Venlo, Roermond en Vierssen.

Op 30 augustus 1610 wordt ene Jehen Runtgens vermeld als ‘huisvrouw’ van Wijn van Welckenhuijzen oud ong. 46 jaar op een ‘extraordinaire vergadering van de schepenbank’ (Reckheim) – zij worden daar verhoord als getuigen in een heksenproces, dus we kunnen afleiden dat ze rond 1565 geboren zijn. (R. Verbois, Geschiedenis van Rekem en zijn keizerlijke graafschap, p. 126).

Hun kleinzoon Heijn Welckenhuijsen verschijnt op 24 april 1694 voor de Reckheimse schepenbank om over te dragen aan de heer Lt Caenen “een groet roede ackerlants … gelegen int ucover velt omtrent den blauwen steijn”
mits de som van “seven en twintig guld(en) maester(ichter) cours godsgelt twee stu(ivers)
(RAH REKEM graafschap Gichten 245 folio 307r+v)

Uit het huwelijk van Heijn (Henricus) Welckenhousen met Jenne Lenerts (Johanna Leijners) wordt op 1 januari 1701 in Boorsem Leonardus (Lendert) gedoopt.

Van deze Lendert zijn in Rekem veel transacties van gronden bewaard gebleven. Zijn zoon Henricus was gekend als maasschipper. In voorbije eeuwen werd er met platbodems op de Maas gevaren, voor zover de waterstanden dat toelieten. Er waren onder meer Maashavens in Oud-Dilsen, Maaseik, Rekem …

Vissers en schippers op de Maas in Leut, 1561 (zie artikel in Eisden, jg. 27, nr. 1)

Henricus huwde met Elisabeth Opdensteijn (Opsteyn), en hun zoon Leonardus wordt in Uikhoven gedoopt op 26 augustus 1751.

Dezelfde Leonardus sterft op 7 oktober 1799 in Opgrimbie, waar de rest van ons verhaal zich zal afspelen. Het is daar dat op 1 augustus 1881 zijn kleinzoon… Leonardus wordt geboren, en dat is de vader van “ons bomma” Anna Welkenhuyzen, de moeder van Odilia Meyers, ook “Anna van Naard” genoemd. Meer details over de Welkenhuyzen-stamboom vind je hier:

Leonardus, geboren den eerste augustus 1881 als zoon van herbergier Joannes Welkenhuyzen (één van de weinigen in onze lijst voorouders die niet als dagloner / landbouwer te boek staat) en Anna Catharina Machon, huisvrouw, woonde met zijn vrouw (Maria) Helena Crijns en zijn kinderen in de Broekstraat in Opgrimby, vlak bij het zogenaamde “Spaans Kamp”. Daar verbleven ten tijde van Napoleon spaanse krijgsgevangenen, die verplicht werden tewerkgesteld bij de aanleg van de Napoleonsweg (de Maastrichtersteenweg). Dat heeft zijn sporen nagelaten in het Opgrimbiese dna, en vooral in de familie Crijns. Tot op vandaag vinden gitzwarte haren en ogen als karbonkels hun weg in het uiterlijk van de nakomelingen, waaronder ook de Meyers en de Welkenhuyzen.

Deze jongedame zou Maria Helena Crijns zijn. De gelijkenis met haar portret op latere leeftijd (zie volgende foto’s) is klein, maar in een foto-album uit de familie Vanhelden-Welkenhuyzen staat achterop deze foto “Moeder” geschreven, wat doet veronderstellen dat het toch over de moeder van Marie (en dus ook Anna) Welkenhuyzen moet gaan.

Via Fons Crijns hebben we enkele anecdotes over “Naar” en “Lena Van Naar”, in 2001 opgetekend uit de mond van Lena Crijns:

De paat [meter], Lena, waor wakkere (?) mèt de nonk Naar. Di-j ès kortstondig gestorreve, di-j haw ’n deinge gekreëge, vreuger, ’n kaw oppe longe wi-j ze zagte. Fleures zagte ze vreuger en di-j häef nondedsju mer nege daag geläef, en dow waor ze al doeëd. Dao bèn ich nao goan kieke, meh, dat waor m’n paat.

Jehjao, dat waar ’n knappe vrouw heh!

Jao ,jao! ’t Waor ’n knappe vrouw…

Wi-jvöal keiner haw di-j dan?

Jeh! Merieke waor de jongste, getrouwd mèt Vanhelden. Katrien, dat waor mèt Clerx getrouwd, en dan haws-te de Anna, dat waor mèt Ti-jke van Pieërre getrouwd. [Dit gaat dus over onze bomma Anna en haar man Theo]. En dan haws-te Zjang eên Stokkem, däe waor ouch getrouwd, mèt de Anna van Pieêrre Meyers. En anges woare gein mieë. Ze höbbe waal nog lang ’n aangenoame keindsj gehad, van Wenen. Döw keeme di-j öeuver, däe höbbe di-j lang gehad. En döw höbse däe weer trök moote goan, zeëker.

G’r wèt neet wi-j ‘r hèdde?

Dat höb ich geweite! Dat weit ich neet mieë… ich weit neet mieë wi-j ‘r hèdde.

Dat ès jaomer!

Jeh, dat waor ’n gooi vrouw, e braaf vruike waor dat. Di-j häet altiêd goot hel gewèrrek, di-j ging altiêd mèt nao Duitsland wèrreke eën de brikke. Ich weit nog zoeë good wi-j di-j trök keem van Duitsland, döw zat di-j’nne keësboum. Eën Duitsland waor dat de moeëde he! En zeej haw ‘nne keërsbaum stoan.

Ao, di-j brach de keësboum as ieëste nao Grömme?

Jaojao! Di-j haw mèt van de ieëste eën Grömme de keësboum stoan.

Di-j ging dan mèt de peëtere en nonk Zjang nao Duitsland tow?

Jaojao! Mètte nönk Naard zeëker ouch? Jao, jao vreuger waor dat zoeë, dao woare gein medikamente vöeur. Noow weëre ze geneëze devan, ma vreuger neet.

[Geciteerd uit Oud-Mechelen, jaargang 21 zomernummer 2006, p. 39-41]

“Nard” Welkenhuyzen, 1881-1941
Maria Helena Crijns, 1875-1925

Efkes ter herinnering: rond 1850 woonden in Op-Grimbie, de fusie van Dael-Gremi en Op-Gremi, alles samen rond de 450 mensen. Daarvan waren er welgeteld 96 woonachtig in het voormalige Op-Grimbie, waar we de Meyers en de Welkenhuyzen uit ons verhaal rond die tijd aantreffen. Je kan je dus wel voorstellen dat de enkele families die daar al generaties lang woonden, innige betrekkingen onderhielden.

Leonard Welkenhuyzen op latere leeftijd, beschadigde pasfoto.

Crijns

Crijns is niet alleen de familienaam van de moeder van ons bomma Anna Welkenhuyzen, het is ook de familienaam van de grootmoeder van bompa Theo Meyers: Maria Anna Crijns.

De naam Crijns is een “versteende” patroniem teruggaand op de latijnse naam Quirinus. Je vindt er vele schrijfwijzen van, variërend van Crins tot Kriens. De stamvader van de Crijnssen in Opgrimbie is Joannes Crins (Crijns) op 22 september 1697 gehuwd met Marie Gybels uit Rekem. Hij is overleden de 8 december 1738. Zijn zoon Petrus en zijn kleinzoon Remi (Remigius) waren kantonnier, in dienst van de gemeente. De zoon van Remi, wederom Pierre geheten (1811-78), is de overgrootvader langs moederszijde van zowel Anna Welkenhuyzen als Theodorus Meyers, de bomma en bompa in dit verhaal. Zij waren dus neef en nicht in de tweede graad. Over de zoon van Pierre, Remigius (1845-1927), de grootvader dus van bomma Anna, zijn er enkele anecdotes overgeleverd bij monde van Lena Crijns, opgetekend door Fons Crijns in 2001.

De peêtere, däe ès aud gewoare. Iech weit nog good, wi-j de papa van os. Dao waor e kindsje krank, bi-j os zin vöal kindsjes nog gestorve, he.

En dow moosj däe nao Bitsinge, nao de pöt goan. Dat waor ‘nne waterpöt en dao moosjte ze e stökske eën goeëje van dat liefke van dat keindsj wat dat aan haw gehad. En es dat lepke onger ging, storf ’t en es ’t boave bläef ging het neet doeëd, en daonao keem ‘r trök. Meh, onger däen tiêd waor waal z’nne pa gestorreve. Dat waor de peëtere, däe waor aud gewoare. He häet ‘m neet mieë leëvetig gezeën. De peëtere zachte v’r ouch teëgen höam.

Remigius Crijns (1845-1927), zoon van Pierre (1811-78) en grootvader van bomma Anna Welkenhuyzen

Maar er was nog een tweede verwantschap binnen de families Crijns en Welkenhuyzen. De grootvader van bomma Anna Welkenhuyzen (Johannes Renier Welkenhuyzen 1845-1926) had een broer, Johannes Leonardus Welkenhuyzen (1833-1896). Deze was getrouwd met Maria Anna Crijns (1831-1892). Die Maria Anna was een dochter van Joannes Dieudonné (Godgaaf) Crijns, die op zijn beurt weer een broer was van Lambert Crijns 1800-1859. En weet ge nu wat, die Lambert is de vader van Anna Elisabeth Crijns 1841-1914, getrouwd met Michiel Mechels 1834-1894. Anna Elisabeth en Michiel zijn de ouders van Maria Helena Mechels, de moeder van bompa Theo Meyers. Ik weet niet of ge nog kunt volgen (ik zou het in uw plaats niet kunnen), enfin, de essentie is dat zowel Lambert Crijns als Pierre Crijns in beide stambomen een rol spelen. Samengevat: Pierre is de gemeenschappelijke overgrootvader van bomma en bompa, terwijl Lambert de overgrootvader is van Theo en een zijdelingse voorouder van bomma Anna.

Maar het wordt nog straffer als we de Meyers er seffens bij betrekken. Bomma Anna Welkenhuyzen en bompa Theo Meyers hebben immers ook een gemeenschappelijke overgrootvader in Jan Mathijs Meyers (°1802)… en ook de Meyers en Welkenhuyzen van haar generatie knoopten veelvuldige banden aan, maar dat is stof voor de volgende pagina.

Fons Crijns heeft (ten dele samen met zijn neef van Christiaan John Mechels uit Santa Fe (USA)) een zeer uitgebreid stamboomonderzoek gedaan en getuigt: “Tot de jaren 70-tig zijn alle inwoners van Opgrimbie en omstreken in een of andere lijn familie van mekaar. Mijn zuster was getrouwd met haar neef in de vierde graad en waren voor de rest 8-keer verwant. Ikzelf met mijn vrouw zijn verwant in de vijfde graad en hebben 7 keer gemeenschappelijke voorouders. De Bormans-sen zijn nochtans afkomstig van Kleine-Brogel, al een stukje verwijderd van Opgrimbie en toch.”

Voor de petite histoire: Fons en ik (Bart Ramakers) zijn neven in de tweede graad, een generatie verwijderd. Voor de rest hebben wij 23 – lees goed – 23 gezamenlijke voorouders, te beginnen met Remigius Crijns (1845). We hebben elkaar nooit ontmoet, maar zijn via de website van de familie Crijns met elkaar in contact gekomen.

Meyers

De oudste verwijzing naar de familie Ramakers in Eisden gaat over een Brouns, en de oudste verwijzing naar de familie Meyers is er een … naar de familie Ramekers. Dat zit zo.

De familie Meyers (etymologie: meier, of burgemeester) stamt uit Dael-Grimbie, wat destijds een deelgemeente was van Mechelen aan de Maas. Daar werd in 1654 Joannes Meyers in het parochieregister ingeschreven, zoon van Petrus en Catharina Billen.

Inschrijving van Joannes Meijers, zoon van Petrus en Catharina Billen, in het doopregister van Mechelen aan de Maas op 30 juli 1654.
Peter is Egidius Cortlevens en meter Maria Boonen.

Joannes huwde met Wendelina Rameckers, gedoopt 20 maart 1655, eveneens in Maasmechelen. Waar we van Petrus en Catharina geen oudere sporen in het parochieregister vinden, weten we wel dat Wendelina afstamt van Henricus Ramekers en Catharina Halincx, en deze Henricus zou op zijn beurt gedoopt zijn op 29 maart 1615 als zoon van Lijns (Laurentius) Ramekers en Anna Maes. We zeggen telkens “zou”, omdat de gegevens in deze parochieregisters notoir onleesbaar en onvolkomen zijn, maar we kunnen wel met zekerheid stellen dat er in de besproken periode in Mechelen geen andere Henricus en Laurentius Ramekers vermeld worden, dus het is het enige te reconstrueren spoor.

Henricus is dus zoon van Laurentius (of Lijns) Ramekers en Anna Maes, die beiden dus allicht eind zestiende eeuw geboren zijn. Zijn peter is Joris Peeters in naam van Aert Aerts en Stijn Shrijnemakers in de naam van Meijcken Theijs.

Let nu goed op, meestal zijn deze parochieregisters slechts een droge opsomming van rituele formules en namen, maar hier gaat zich zowaar een echt drama ontrollen binnen welgeteld twee luttele pagina’s van het register van de Mechelse parochieherder Nicolaas Nessel [over deze man en zijn parochieregister is een prachtig boek van Pierre Schuermans uitgegeven door heemkring Oud-Mechelen: Het Pastoraat van Nicolaas Nessel]. Die is meestal niet te beroerd om bij heel wat overlijdens toelichting te geven over doodsoorzaak en de precieze plek op het kerkhof waar de overledene belandde, maar in dit geval zijn het gewoon de data die het verhaal vertellen. Het begint met het overlijden van Laurentius (of Lijns) Ramekers.

Ge ziet aan het geschrift dat hier een andere hand aan het werk is dan die van pastoor Nessel, dus waarschijnlijk is hij enkele maanden ribbedebie (de volgende vermelding van zijn hand is van juni) en laat hij zich vervangen, dat gebeurde wel vaker. Die vervanger weet er ook niet helemaal het fijne van, hij was allicht niet present, want hij dateert het overlijden van Lijns “rond het einde van maart” 1621 (“circa finem Martij”). Goed, in juni is pastoor Nessel dus weer paraat. Hij weet zelfs te melden dat het gedurende heel de zomer en de herfst van dat jaar aanhoudend geregend heeft, “zodat er om zo te zeggen geen twee opeenvolgende dagen voorkwamen waarin het niet regende. Dit belemmerde en verlaatte de oogst, ook de wijnoogst en deed voor een gedeelte het fruit rotten.” En opgelet, de genen van overleden Lijns zijn tijdens heel dat regenseizoen nog druk aan het werk, want 24 augustus van dat jaar bevalt zijn weduwe Anna Maes van Laurentius junior, zoals de pastoor vlijtig in zijn register krabbelt:

“Op de 24ste, op de dag van de heilige Bartholomeus, doopte ik Laurentius, posthume zoon van Lins Ramekers en Anna n. peter en meter: Leonardus Groetheijnen en Trijn N.” En merkwaardig, vlak daaronder, alsof het een vergetelheid betrof, kribbelt Nessel: “Op de dag van 9 september overleed Anna, de echtgenote van Lins Ramekers. Dat ze ruste in eeuwigheid.” Zo werd de jongste telg van Lins en Anna meteen een volle wees, amper 17 dagen oud. Maar goed, zijn zes jaar oudere broer Henricus zou trouwen met Catharina Halincx, vader worden van Wendelina Ramekers, en die trouwt met Joannes Meijers en zo zijn we vertrokken in ons Meyers-verhaal.

Genoeg over de Ramekersen uit Mechelen-aan-de-Maas dus. Is er een link tussen hen en de Eisdense Ramakersen? Dat zou natuurlijk een prachtig verhaal zijn, maar laten we het er voor nu op houden dat het heel moeilijk uit te vissen is, omdat ons spoor in Eisden voorlopig ophoudt in 1684. Maar zeg nooit nooit! 🙂

Een chronologisch overzicht vanaf Joannes Meijers tot bompa Theo Meyers vind je hier:

Joannes Meijers’ nakomeling Petrus Joannes werd in 1868 geboren in Op-Grimbie, maar of daar een verhuizing bij kwam kijken weten we niet: het kan ook komen door het simpele feit dat Dael-Gremi intussen in 1851 in Opgrimbie was opgegaan. We hebben er dus het raden naar wanneer de Meyers op de Heirbaan (voorheen: Heerstraat) in Opgrimbie zijn beland, waar het voorouderlijke huis nu nog staat, maar gezien de veelvuldige verwantschappen tussen de families Meyers en Welkenhuyzen (die vlakbij in de Broekstraat woonden) moet dat toch ten laatste rond het einde van de 19de eeuw zijn geweest.

Oma Odilia herinnert zich nog hoe ze daar in 1946 als 7-jarige voor de begrafenis van haar grootvader Petrus (Pieter, Pier) Meyers naartoe ging. Waarschijnlijk lag hij thuis opgebaard, zoals destijds de gewoonte was. Oma liep met Victorien van tant Lies (Elisabeth Josephina Meyers, zus van Theo) in de stoet, richting het oude kerkhof in Opgrimbie, dat lag in de bocht van de Kerkstraat, rond de oude kerk (zie beneden). Oma herinnert zich eigenlijk niets van de begrafenis zelf. Waarschijnlijk ging dat met paard en lijkkoets zoals gebruikelijk was in die tijd. Tant Lies fluisterde telkens “psjt” naar de kinderen omdat ze stil moesten zijn. Ook is er een anecdote over hoe kort daarvoor Rudy, de jongste (geboren augustus 1944), van de keldertrap viel tijdens een familiebezoek van Pier in de Kerkstraat. Hij moet tegen de deur naar de kelder hebben geleund terwijl die niet afgesloten was (met het “schuifke”) en zo naar beneden zijn gedonderd.

Pieter Meyers, 1868-1946.

Brikken

In 1873-1890 teisterde een economische depressie Europa. De oorzaken waren menigvuldig, maar in het Maasland werden de boeren vooral getroffen door de import van veel goedkoper graan uit de Verenigde Staten. Dit, gecombineerd met de privatisering van gemene gronden (die voorheen vrij gebruikt konden worden door de “keuterboerkes”) en met de stijgende bevolkingsaantallen (betere hygiëne en medische ontwikkelingen) zette grote druk op de kleine boeren. Tel daar nog de regelmatige overstromingen van de Maas en andere malheuren bij en je kan je er wel een voorstelling van maken: zij konden uit hun karige schrale gronden niet meer genoeg opbrengst halen om hun vaak kroostrijke gezinnen te onderhouden.

Tegelijk groeide het Ruhrgebied in Duitsland uit tot een nieuwe economische trekpleister, waar men continu op zoek was naar mankracht. En zo ontstond de “tocht der duizenden”: een jaarlijkse trek van Maaslandse gezinnen die in de lente hun huis dichttimmerden, met vrouw en kinderen naar “den Pruus” trokken en tot in het najaar hun kost verdienden met brikkenbakken in de buurt van Keulen en Düsseldorf. Let wel, er werden van oudsher ook brikken gebakken in het Maasland, bijvoorbeeld door Sus Dedroog in Eisden. Brikkenbakken werd bijna door heel het Maasland gedaan door middel van veldbrand: de bakstenen werden gebakken in het veld, waar de klei te vinden was. De klei werd opgegraven en ter plaatse in vormen gestopt. De brikken werden dan opgestapeld met kolen ertussen en dan in brand gestoken. Zo werden de brikken gebakken. Later werd er met ringovens gewerkt. Het principe is precies hetzelfde: de brikken werden er in gestapeld en van bovenuit werden er kolen tussendoor gestrooid. Daarna ging de brand er in. Het heette ringoven omdat het vuur mee rond ging: aan één kant waren de brikken gebakken en aan de andere kant waren ze nog bezig. Zo’n oven stond bijvoorbeeld in Lanklaar, in Maaseik (die bestaat nog), in Maasmechelen stonden er twee. In sommige oude gebouwen zie je die stenen nog terug: je herkent ze aan hun grote, onregelmatige vormen. De mijn had haar eigen steenbakkerij in Lanklaar. Maar de meeste mensen gingen naar Duitsland (Aken, Bonn, Düsseldorf), ook uit de families Meyers en Welkenhuyzen, samen met honderden andere families uit het Maasland. Dat waren dagloners, ze gingen brikkenbakken in Duitsland omdat de lonen daar hoger waren, omdat vrouwen en kinderen daar aanvankelijk ook mee mochten werken en verdienen, maar ook omdat het werk daar langer duurde: van Pasen tot in het najaar. De aantrekkelijke looncondities werden via advertenties (bijvoorbeeld in de krant “de Eendracht” uit Mechelen aan de Maas) uitgespeeld om heel succesvol gastarbeiders te werven.

Machiel Mechels, de grootvader van bompa Theo Meyers, ging al met vrouw Maria Anna Crijns en kinderen brikkenbakken. Hier een foto van brikkenbakkers ergens in Duitsland met links (met de jeneverfles) Elisabeth Mechels, en helemaal bovenaan Jan en Victor Mechels. Elisabeth Mechels was een tante van bompa Theo Meyers, hij was de zoon van haar zus Maria Helena.

In het boek “Maaslanders naar Duitsland en Amerika 1850-1914” van M. Rutten lees je welke Mechelsen, Meyersen en Welkenhuyzens in Duitsland werkten en welke kinderen er geboren werden.

Hier wordt vermeld dat

  • Pieter Machiel Meyers, de jongste broer van Theo Meyers, op 19 juni 1910 geboren werd in Ginnheim bij Frankfurt
  • Jan Renier (Joannes Remigius) Welkenhuyzen, broer van Anna Welkenhuyzen, twee jaar na haar op 15 juni 1907 geboren werd in Duitsland (hij huwde later met Anna Meyers en stond bekend als nonk Zjang van Stokkem)
  • Anna Catharina Welkenhuyzen (onze bomma Anna) geboren werd op 7 juli 1905 in Oberkassel. Dat laatste is uiteraard heel raadselachtig, want zij is ingeschreven op 14 december 1905 in het geboorteregister van Opgrimbie. Intrigerend is dat haar inschrijving in het duplicaat van het geboorteregister doorstreept is, en vervolgens weer hersteld. Eén ding staat vast: sommige kinderen werden achteraf, na de terugkeer uit Duitsland, ook nog eens in Opgrimbie ambtelijk aangegeven. Maar de meeste helemaal niet.

Want ook Helena Louiza “Lena” Meyers, jongere zus van Theo, zou in Duitsland geboren zijn, met name in Kessenich bij Bonn am Rhein, op 6 juli 1898. Van haar, net zoals van Pieter Machiel, haar jongste broer, is er geen enkel spoor in de bevolkingsregisters van Opgrimbie. Ook Joannes Remigius Welkenhuyzen schittert door afwezigheid.

Met het uitbreken van de eerste wereldoorlog kwamen de brikkenbakkers uiteraard in een onmogelijke positie. Sommigen besloten in Duitsland te blijven, vele anderen (waaronder onze familieleden) keerden definitief terug.

Meer informatie over het brikkenbakken, een memorabele episode in de sociale geschiedenis van het Maasland, vind je (behalve in het hoger vermelde boek van M. Rutten) in:

  • De tocht der duizenden, Maaslandse brikkenbakkers naar Duitsland 1840-1914, door Johan Kusters (uitgave van Stichting Erfgoed Eisden)
  • Naar de brikken, door Felix Persoons, met vooral aandacht voor de werving en de werkprocedures

Omdat dat laatste niet meer verkrijgbaar is, vind je hier een pdf:

Er waren overigens ook Opgrimbiese familieleden die hun heil niet in het brikkenbakken in Duitsland zochten, maar in de Verenigde Staten. Zo vinden we in onze stamboom een Maria Catherina Crijns terug, geboren in 1843 en overleden in 1920 in Chaska (Minnesota). Ook van de familie Mechels, waarmee wij verwant zijn, zijn er een aantal familieleden naar de US van A getrokken, zoals uit het boek van M. Rutten blijkt. Eén van hun nazaten, Christiaan John Mechels (°1940) uit Santa Fe, heeft nog samen met Fons Crijns uitgebreid stamboomonderzoek in Opgrimbie gedaan.

Stevige benen

Alphons Crijns (Fons van Hermi-j) is de vijfde wielrenner op de onderste rij.
Er waren overigens ook Meyers en Welkenhuyzens bij de Opgrimbiese veloclub: op de onderste rij is de voorlaatste Harieke van Jhannes oftwel Harie Welkenhuyzen, de man van tant Lies Meyers. De derde laatste van de bovenste rij is ene Jozef Meyers aka Jo van Toeliks (geen flauw idee hoe dicht of hoe ver die verwant is met onze Meyersen).

Fons (°1884) en Zjang Crijns (°1881), zonen van Remigius Crijns (°1845) en dus nonkels van Anna Welkenhuyzen, trokken ook naar Duitsland voor het brikkenbakken, onder meer in 1902. Alfons was leemstamper, en Jean leemvaarder, hij moest dus met een kruiwagen over de put met gestampte leem rijden. Daarbij is hij op een keer van de loopbrug gevallen en zover in de gestampte leem gezakt dat er verschillende brikkenbakkers nodig waren om hem eruit te halen.

Later gaan ze naar de “kroten” in Nederland (bieten rapen). Die rit doen ze regelmatig met de fiets, en vaak maakten ze van de gelegenheid gebruik om er een fietswedstrijdje van te maken met collega’s uit Boorsem. Dat maakte van de Crijnsen op den duur te duchten wielrenners, en samen hebben zij heel wat overwinningen behaald. In de wielerwedstrijden waar zij aan de start verschenen werd er meestal gestreden om de derde plaats. In Tongeren – waar hij met de fiets naartoe reed – kwam Fons net op tijd aan voor de inschrijving en de start, en sommige vertrekkensklare wielrenners stapten dan gelijk terug uit de koers, wetende dat er geen prijzengeld meer te verdienen viel. Van Alfons werd verteld dat hij vaak zo’n grote voorsprong had dat hij ruim de gelegenheid had om zijn palm in ontvangst te nemen, zich op te frissen en om te kleden en vervolgens de spurt te gaan bekijken voor de derde plaats (want intussen had Zjang meestal de tweede plaats behaald). De grote droom van Fons, voor België deelnemen aan de eerste Ronde van Frankrijk waarin dat kon, viel in het water door het uitbreken van de eerste wereldoorlog.

Hij en zijn broer trouwden (op z’n Grömmes) elk met een Meyers: Hubertina (°1884) en Ida Josephina (°1886). Deze waren afstammelingen in de vijfde generatie van Joannis Meijers (1731-1800), kleinzoon van de Joannes Meijers waarmee ons verhaal begon, en daarmee verre nichten van onze bompa Theo Meyers. Zij begonnen elk (zoals het wielrenners betaamt) een fietsenwinkel.

(bron: Fons Crijns, kleinzoon van Remigius Crijns)

Inwijding nieuwe kerk Opgrimbie 1906

Dit is een foto gemaakt in de Pelstraat aan het oude kerkkoor, ter gelegenheid van het in gebruik nemen van de nieuwe kerk. We zien een aantal dorpelingen bij een geïmproviseerde Mariagrot, die het feest meer kleur geeft. Onder hen Leonardus “Nard” Welkenhuyzen (met de witte hoed in het midden achteraan de linkse groep). Hij was toen bijna vier jaar gehuwd met Maria Helena Crijns, en hun dochter Anna Catharina was het jaar voordien geboren in het Duitse Oberkassel gedurende het brikkenbakkenseizoen.

De oude kerk van Op-Grimby in 1905, net voor ze uit gebruik werd genomen. Enkel het koor staat sindsdien nog recht.