De moderne man, bestond dat in de jaren ’60 al? Volgens oma bestaat die nu nog altijd niet! Opa: de moderne man, wat is dat? Op een bepaald moment hebben ze volgens oma de taken wel wat verdeeld: oma het huishouden, opa de auto, de kelder en de hof. Eerder traditioneel dus. Hoewel oma ook veel heeft geholpen met onkruid uittrekken, maar dat was ook niet altijd goed. Dat deed ze dan ’s middags als de kinderen op bed lagen. Maar dat was eigenlijk het enige moment dat ze een beetje rust had, anders was ze altijd bezig met nieuwe luiers aandoen, eten geven, eten maken… En op die momenten ging ze dan wel graag eens naar buiten, in plaats van altijd binnen zitten, maar dat in de hof werken was dan ook weer niet ideaal, dan was ze ’s avonds natuurlijk goed moe van al dat bukken. Ze had toen nog niet zo’n last van de rug, dat kwam later pas.

Den Hof

Fast food bestond nog niet, dus slow food al evenmin. Dagelijkse kost was er in overvloed, maar niet met Jeroen Meus als god de vader: het kookboek van de Boerinnenbond was de Bijbel. Dat was een dik boek en daar staken allemaal briefjes is met recepten die oma her en der had verzameld en op fiches had overgeschreven. De groenten kwamen van de groentenboer, die net als de melkboer en de brouwer wekelijks zijn ronde deed; vlees kwam van de slager en brood van de bakker en de rest kwam van de kruidenier of … uit den hof.

In de Kerstvakantie van 1968 sneeuwde het wel heel erg veel. Onze sneeuwman kwam bijna tot aan de wasdraad. Achter de schommel, dik ondergesneeuwd, de oorspronkelijke moestuin.

Opa weet nog dat Dirk hem al wel eens kwam helpen in de hof. Oorspronkelijk was er een moestuin achter het huis, waar later de “sjop” kwam, maar ergens rond 1970 legde opa een tuin aan op het terrein naast Zjang, op de plaats waar nu hun huis staat. Dirk had gezien hoe opa tomatenplantjes uitkneep, om te voorkomen dat er te veel tomaten aan zouden groeien. Bij de eerste communie van Dirk (1972) hadden we thuis feest, en onder andere nonk Giel en tant Elvire waren er ook bij, zo denken opa en oma. Nonk Giel was bezig over de hof, en opa zegde: “ik kan geen spruiten trekken”. “Allez,” zei nonk Giel, “dat is nu toch niet moeilijk.” En Dirk die zat maar te lachen. Dus op een bepaald moment vroeg opa: “wat zit gij zo te lachen?” En toen vertelde Dirk: “dat zal wel dat gij geen spruiten hebt!” Hij had die knopjes allemaal uitgepitst! Het doel was alleszins bereikt: opa had het spruiten telen opgegeven. [Dat Dirk’s geheim uitkwam op zijn communiefeest zal niet helemaal kloppen, want nonk Giel en tant Elvire staan niet op de familiefoto’s van die gelegenheid.]

Greetje in een “stockcar” van Peter in 1988, voor de voormalige moestuin naast Zjang. De open haard was intussen in volle gebruik en hout werd en masse uit het bos van Dilsen-Stokkem gesleept en verzaagd.

Spruitjes en witlof, dat waren dan ook gewaagde dingen om op tafel te zetten. Bart weet dat ze dat eigenlijk allemaal niet graag aten, maar oma zei dan “tuttut, een of twee keer per jaar moet ge dat eten”. Of tenminste toch eens geproefd hebben! Spruitjes heeft Bart maar leren eten in zijn studententijd, in de Alma in Leuven. Bij Greet was dat volgens oma ook zo, ze wilde dat niet eten terwijl ze het nog nooit geprobeerd had. Dus van oma moest ze er dan eens één of twee eten, om te proeven. Maar kinderen eten dat dus niet graag.

Ongedierte

Indertijd werden de eikenbomen langs de Steenweg regelmatig geteisterd door processierupsen. De rupsen lagen dan tot op het portaal bij de voordeur. Een paar jaar hebben we daar last van gehad, maar niet zo lang (de bomen werden gekapt bij de verbreding van de Steenweg). Coloradokevers zaten dan weer op de aardappelen, die stonden in de hof bij het huis. Die kwamen elk jaar terug, dat moesten we goed in de gaten houden. Er werd dan met DDT gesproeid (!) en dan gingen die kapot. Maar ondertussen hadden ze al weer eitjes gelegd en zaten de larven in de grond en het volgende jaar begon het spel dan weer opnieuw. Opa herinnert zich zelfs dat bijwijlen de voltallige school werd ingezet om coloradokevers te gaan vangen op de aardappelvelden.

“Steenweg van Eelen”, eerste helft 20ste eeuw, ideale biotoop voor processierupsen.

Als je niet sproeide, kwam er niet veel van het fruit terecht. Eigenlijk moest je elk jaar al het blad- en ander afval op de grond opruimen, want het ongedierte kruipt daar onder en komt dan na de winter weer tevoorschijn. En dan kreeg je maden in de kersen. De laatste jaren zat er in elke kers wel een made. Dus eigenlijk was je verplicht om te sproeien. De laatste jaren wordt veel meer biologisch gewerkt, dan hangen ze een soort van potten met kevers in de bomen en die eten dan het ongedierte op.

Opa herinnert zich niet dat er in zijn jeugd zoveel ziektes en ongedierte heersten. De fruitbomen waren toen nog hoogstam, dat waren veel solidere rassen. Het gebeurde wel af en toe dat je een appel had met een worm in. Dat zag je van de buitenkant al. Maar de bomen waren veel minder onderhevig aan ziekten. Vroeger werd ook witkalk op de stammen gesmeerd, zodat het ongedierte niet omhoog kon kruipen.Er waren ook veel meer vogels en veel meer groen. Chemische bestrijding bestond niet, de natuur loste dat zelf op. In de jaren 1950-1960 is dat begonnen, die chemische bestrijdingsmiddelen.

Vroeger gebruikten ze op de boerderij allemaal natuurlijke mest. De koemest en de paardenmest werd vanuit de stal op het veld verdeeld. De kunstmest is pas na de tweede wereldoorlog opgekomen. Met de chemische middelen is de natuurlijke bestrijding eigenlijk verloren gegaan. Nu wordt daar weer op terug gegrepen met de biologische land- en tuinbouw.

Aan tafel!

’s Morgens werd bij het ontbijt een boterham gegeten, met kaas of charcuterie. Of een eitje. Wat Bart wel tof vond is als oma al eens kop meebracht, of hersentjes. Peter en Dirk moesten dat niet hebben, maar hij lustte dat graag. Opa vond dat ook lekker, varkenshersenen. En bij konijn de lever en de niertjes. En stinkkaas, zo noemden we de kaas van Herve. Ook daarvan waren opa en Bart grote fans, de anderen geheel niet.

Bij de boterham dronken de kinderen een glas melk: “melk is goed voor elk”. Melk werd al van rond 1960 gepromoot als gezond, in Nederland hadden ze de melkbrigade om de overproductie van de boeren op te vangen, het idee was dat melk de botten verstevigde, het besef dat het net andersom is kwam pas veel later. Soms kwam er ook chocomelk op tafel, later soms ook yoghurt, want oma kreeg eens een toestel cadeau om zelf yoghurt te maken. Dat werkte allemaal niet zo heel goed, dat mislukte al eens, maar sinsdien kocht oma vaak yoghurt, en zoals altijd vonden de kinderen dat lekker tot het hen de oren uit kwam, en dan moesten ze het niet meer.

’s Middags kwamen de jongens uit school naar huis gefietst en werd warm gegeten (stuk vlees, “kortelet” of zo, aardappelen, groenten of appelmoes). En rond vier uur, als ze uit school kwamen kregen ze een boterham met chocopasta hagelslag of chocolade (van Chocolade Jacques natuurlijk, want daar gingen ook de schoolreizen naartoe), of banaan, of aardbeien uit eigen hof als die net rijp waren, dat was een feest. En vroeg op de avond, zo tegen 18u30-19u nog eens een boterham. Opa herinnert zich pap of pudding, maar oma staat daar niks van bij.

Do re mi fa sol la si …

Muziek was één van opa’s passies, dus is Bart als eerste in Lanklaar naar de muziekschool gegaan. Bij Peter Weda heeft hij eerst notenleer gevolgd, dat waren naschoolse lessen in de jongensschool. We hadden toen ook een piano thuis staan, in de gang of in de speelkamer. Opa heeft die gekocht toen hij zangles volgde op de muziekacademie in Maaseik. Dus Bart had al wel een paar keer op het klavier getimmerd voor hij begon te studeren bij het duo Crommelynck aan de muziekschool. Dat heeft hij drie of vier jaar gedaan, tot hij zich realiseerde dat hij nooit Maurizio Pollini ging worden. Jammer wel, vooral omdat die Japanse lerares (Taeka Kuwata) haar vingers op die van hem legde, dat vond hij wel heel sensueel allemaal, daar in de trouwzaal van het gemeentehuis in Lanklaar. Hij heeft in die tijd nooit geweten dat het eigenlijk hele bekende pianisten waren, die traden op in binnen- en buitenland en speelden voor Radio 3. Helaas zijn ze ongelukkig aan hun einde gekomen, maar dat had gelukkig niets met Bart’s middelmatige pianoprestaties te maken.

Patrick Crommelynck en Taeka Kuwata, jaren ’70.

Peter en Dirk gingen ook naar de muziekschool in Lanklaar. Dirk deed verdienstelijke pogingen om de viool onder de knie te krijgen, en Peter timmerde net als Bart op de piano. Maar het begon dus voor iedereen met notenleer bij Peter Weda in de gemeenteschool in Elen. De kinderen verkneukelden zich daar altijd op, want hij reed nogal sportief. Hij parkeerde zijn auto altijd op de speelplaats achter de school. Daarvoor moest hij links langs de school door het “getske” en dan zijn bocht pakken om de speelplaats op te rijden. Op een bepaald moment is daar een poort gezet. En de kinderen dachten: “als hij nu niet oplet zit hij plak tegen die poort”. Voor de rest was die notenleer heel saai eigenlijk, vooral zingen. Peter Weda werd gestuurd vanuit de muziekschool in Lanklaar, zo gaven de leerkrachten van de muziekacademie in verschillende dorpen notenleer, en zo recruteerden ze leerlingen die een instrument wilden spelen voor de academie.

Rond zijn twaalfde had Bart het gehad met die piano, en dan heeft hij nog een jaar klarinet gedaan bij Ubachs. Dat was meer omdat opa en oma dat belangrijk vonden. Die klarinet dat lukte niet zo goed, dat rietje moest tegen de lip trillen maar mocht niet nat worden. Maar het lukte Bart zelden dat rietje droog te houden…

De tekenschool

Uiteindelijk is dat zijn redding geworden, want daardoor is hij dan naar de tekenacadamie in Maaseik mogen gaan, bij Jan Peeters. Toen was hij 12-13 jaar. Daar vond hij wél zijn draai. Jan Peeters was een bevlogen artiest en pedagoog, het Huis Den Verkeerde Werelt waar hij geboren was en waar de academie was gevestigd was een prachtig voorbeeld van Maaslandse Renaissance, en er dwaalden daar boeiende figuren rond, waaronder ook jongedames die Bartjes hart sneller deden kloppen. Kortom, er ging een nieuwe (“verkeerde”) wereld voor hem open. Jan was uiterlijk een soort mengeling van Georges Perec en Georges Moustaki, maar ook innerlijk bleek hij – hoewel stevig geworteld in de Maaslandse klei – een rusteloze onbegrepen zwerver vol hooggestemde idealen en bijhorende diepe teleurstellingen. Met zijn onafscheidelijke pijp leek hij wel een typische romantische bohémien kunstenaar. Helaas duurde zijn academie-carrière niet lang, want Jan Peeters’ kwaliteiten bleken zich niet tot op het organisatorische of financiële terrein te vertakken, en hij werd na een jaar of twee als directeur ontslagen. Bart, die intussen flink bedreven was in het tekenen met chinese inkt, zocht hem later nog op in de Bleumerstraat, waar toen hij een winkeltje had (is dat niet in vlammen opgegaan?), en daar vertrouwde Jan hem toe dat hij hem technisch gesproken niet veel meer kon bijbrengen, dat het enige wat hij nu nog moest ondergaan de School van het Leven was, kwestie van iets te vertellen te hebben. In zijn eigen werk refereerde Jan naar historische figuren zoals Harlindis en Relindis en uiteraard de gebroeders Van Eyck, maar altijd geactualiseerd naar thema’s als atoomdreiging, massamedia, popcultuur, reclame en vervreemding, contestatie, AIDS, armoede, kortom een wereld uit balans (zie bijvoorbeeld zijn versie van het Lam Gods, waarvan hij steeds hoopte dat de provincie het zou aankopen, tevergeefs). Daarmee kon hij uiteraard de kost niet verdienen, dus hij produceerde ook pentekeningen van maaslandse monumenten en historische gebouwen die al dan niet in offset-druk vlotjes van hand tot hand gingen. Rijk werd hij er echter niet van, met geld omgaan was echt niet zijn sterke kant.

Jan Peeters, foto Piet Henkens.

Het ontslag van Jan Peeters in Maaseik was voor Bart een zwaar emotioneel moment, het was alsof de deur van het paradijs werd dichtgeklapt. Hij is naar Maasmechelen gegaan, naar de tekenacademie in de Zandstraat. Frans Slangen was daar directeur, Pollie Gregoor, Gerard Segers en Johny Lambrigts gaven les. Er was nog een leraar waarvan Bart de naam niet meer weet, dat kwam omdat die ganse avonden in het secretariaat zat nadat hij Bart als enige leerling aan het werk had gezet. Hij had wel een uitstekende platencollectie, en zo heeft Bart bij hem meer geleerd over Queen en Wings dan over tekenen of schilderen. Pollie was een begeesterende leraar, hij was een echte hippie, leek wat op John Lennon en las jaarlijks in de lente de volledige trilogie van Lord of the Rings. Die prisma-pockets vielen letterlijk uit elkaar. En Gerard Segers was een Maaseikse cartoonist (“Segge”) die met zijn Kever de afstand tot Maasmechelen aflegde en waarmee Bart al eens mocht meerijden als dat zo uitkwam. Al die leerkrachten waren twintigers of jonge dertigers, mannen met baarden (met uitzondering van Johny Lambrigts, een zeer fijnzinnige grafische kunstenaar). Polly Gregoor, intussen een gevierde kunstenaar, tekende later als schoonzoon van Jan Kohlbacher de omslagen van het tijdschrift van de geschied- en heemkundige kring in Eisden. Zo heeft hij ook Peerdskeutele Pier eens getekend.

Bart is Jan Peeters later nog af en toe gaan opzoeken, in Maaseik, in Aldeneik, in Heppeneert, en op het einde ergens tegen Hasselt nog zelfs, maar over dat alles en nog veel meer gaan we later verder uitweiden. Ho, terug naar de muziek.

De voormalige tekenacademie in de Zandstraat in Maasmechelen, foto Google Maps.

Sinte Pieter

Toen opa en oma in Elen kwamen wonen, ruilden ze Sint-Willibrordus en Sint-Christoffel in voor Sint-Pieter, want dat was de patroonheilige van de parochie. Omdat opa onderwijzer was, werd van hem verwacht dat hij betrokken was bij de parochie. Hij moest dus elke zondag bij de kinderen in de kerk zitten, rechts in de zijbeuk. Dat was normaal, opa zat altijd bij de jongens van de school en oma in de kerk tussen de rest van het volk. Toen de kinderen nog klein waren ging oma ook al eens naar de kerk in Rotem. Soms kwam dat met de uren beter uit, met flesjes geven enzo. Ze konden dus niet samen naar de mis gaan, opa ging dan naar Elen en oma naar Rotem. Er waren toen op zondag nog twee misvieringen ’s ochtends. En als je die allebei had gemist, kon je nog in Maaseik naar de avondmis.

Dirk poseert als misdienaar voor Bart, winter 1978.

Opa heeft met het kinderkoortje “Were Di” ook nog gezongen in de kerk. De pastoor kwam ook op de school. In Elen hadden ze pastoor Lanckohr, die kende opa nog van uit Eisden, dus de verstandhouding was vanaf het begin heel goed. Bart is zelfs nog lector geweest in de kerk, en Dirk was misdienaar later. Lang daarvoor is Bart nog door Lanckohr gedoopt toen hij nog kapelaan was in Eisden, en de eerste foto’s van Bartje zijn nog door deze verdienstelijke amateurfotograaf-kapelaan gemaakt. Als de school op kamp ging, ging Lanckohr ook mee. Hij was heel goed gezien in Elen.

Pastoor Lanckohr bij zijn veertigjarig priesterjubileum, juni 1984.

Bart herinnert zich nog dat ze vanuit de school meekregen dat ze moesten gaan biechten. Maar voor hun als kinderen was dat zo een “verplicht nummertje”. Opa noemde dat altijd “het leugenbankje”. Als kinderen vonden zij dat ook al, je moest dan met de school mee en op voorhand al wat bedenken welke zonde je ging opbiechten. “Ik heb Laurent gestampt” of zo. Dat had eigenlijk toen ook al niets meer om het lijf. In de jeugd van opa en opa baden ze nog wel aan tafel, voor het eten. En het brood werd gezegend voor het werd afgesneden, dan werd er met een mes een kruis in gezet.

De mis werd vroeger druk bijgewoond, de kerk zat dan goed vol voor de beide vieringen. En na de middag had je dan ook nog het lof. Maar daar gingen we niet naartoe, in Elen werd dat ook niet meer gedaan. En dan had je nog de processie, die wordt nu nog gehouden in Elen. Met Sacramentsdag in juni is de jaarlijkse processie door het dorp. Op O.L.Vrouw-Hemelvaartsdag in augustus is er elk jaar een openluchtmis bij de kapel van O.L.Vrouw van Rust. In mei werd ook te voet naar Heppeneert gegaan, op bedevaart. De kinderen gingen dan met de school, de volwassenen deden dat meestal op een avond. Dat gebeurt nu misschien nog wel, maar niet meer grootschalig. De openluchtmis bij de kapel is nog wel elk jaar druk bijgewoond.

De drie musketiers met versierde fietsen en in communiekostuum
op weg naar een gouden bruiloft, ca. 1972.

In 2012 is voor het eerst het originele Mariabeeld uit Heppeneert weer naar Elen gehaald, en de mis aan de kapel samen met die van Heppeneert opgedragen. In 2017 is dat weer opnieuw gebeurd, maar omdat het slecht weer was is dat toen in de kerk gehouden in plaats van aan de kapel. De bedoeling was om dat elke 5 jaar te blijven doen.

Daar bij die molen, die mooie molen

In de jaren 1960 luisterden we op de radio het meest naar Radio 2. Daar werden veel Vlaamse liedjes gedraaid. John Terra, die was van Maasmechelen. Terra komt van Terwingen-Ramakers, zijn moeder was een Ramakers, maar geen familie van ons. In Elen had je in die tijd jaarlijks de zomerfeesten ergens in een tent op een weide, waar zo’n artiesten vaak optraden, naast bijvoorbeeld de exoot Freddy Breck (Duitse schlagers). Ooit heeft opa nog geduldig bij de radio zitten luisteren tot één van diens schlagers (Halli hallo genaamd) gedraaid werd. De bandopnemer (zo’n ding met grote spoelen) stond klaar naast de radio, en de broertjes werden opgeroepen om opa te alarmeren als het liedje in de ether weerklonk. Dat opnemen lukte niet zo meteen, de ene keer waren we te laat en was de helft van het liedje al achter de rug, de andere keer werd het voortijdig onderbroken door het nieuws. Halli Hallo één van de welluidender titels van Freddy, de keerzijde van die single heette Aloa Oe, om u maar een idee te geven van het niveau van die jaren. Opa monteerde vervolgens een ouverture van Rossini (Die Diebische Ekster, enfin, La gazza ladra, maar zo was die opera in Duitsland niet gekend natuurlijk) waarop het liedje was gebaseerd erachter om vervolgens in de jongensschool in één of andere les daarmee te demonstreren dat veel moderne muziek op klassieke thema’s teruggaat.

Eén van de hipste artiesten die op de Zomerfeesten optraden was in later jaren Peter Koelewijn (Kom van dat dak af!). Maar de doorsnee muziek was Vlaamsch en braaf. Jimmy Frey, bijvoorbeeld, Will Ferdy en Will Tura. Marva had je ook nog, daar was oma ook een tijd zwaar fan van. Via de televisie is Luc Appermont ook opgekomen in die tijd, die was afkomstig van Bilzen en is later getrouwd met Bart Kaëll. Appermont is toen bekend geworden met zijn spelletjesshows en het tv programma Binnen en Buiten. In die grote showprogramma’s en spelletjesshows traden de Vlaamse vedetten ook vaak op. Zo had je ook nog Ann Christy en Liliane Saint-Pierre. Die laatste treedt tegenwoordig nog op met Marijn Devalck.

Peter’s kamerdeur, 1980.

Elvis Presley, de Beatles en de Rolling Stones dat kwam ook wel voorbij op de radio en televisie maar dat werd veel minder beluisterd en bekeken dan de Vlaamse muziek. Die taal was vreemd, die snuiters waren langharig tuig en wat ze zongen verstond je niet en kon je ook niet nazingen. Terwijl die Vlaamse liedjes, die werden gezongen door propere mensen zoals onszelf en die kon je gewoon meezingen. De rock & roll en flowerpower dat ging eigenlijk aan opa en oma voorbij. Lang haar of jeansbroeken, dat was niet voor ons, dat was voor de bietels. Ook bij de Chiro bijvoorbeeld, daar werden Vlaamse liedjes gezonden, van Armand Preud’homme bijvoorbeeld. Of Jo Erens, Limburgs dialect. En ook Duitse liederen, bijvoorbeeld “Schwarzbraun is die Hazelnuss”. Maar ook klassiekers, zelfs van Schubert, stapliederen. Die tijd komt nooooit meer terug.

Peter, De Witte (Erik) en Dirk, in de kamer van Peter,
volgehangen met posters uit de Joepie.

Peter en Dirk ontginden in de jaren ‘70 hedendaagser en internationaler repertoire, ze hadden elk een dubbele draaitafel en wat spots met kleurfilters, new beat bestond nog niet maar god begon toch al een beetje dj te wezen. We wilden toen nog wel allemaal brandweerman of piloot worden maar dj kwam al in de buurt. Peter’s discobar heette 45RPM denk ik, omdat de singeltjes op 45 toeren per minuut draaiden, en er zat ook Ramakers Peter in die naam natuurlijk; wie weet stond de M dan nog voor muziek. Peter had een brede collectie met allemaal pophits, the Police, Visage, Eurythmics, … Dirkas collectie draaide vooral rond de Beatles en Bob Marley. Bart was daar niet zo in thuis, aanvankelijk volgde hij als tiener wel Abba en zo, en hij kende via schoolvrienden wel Pink Floyd en dergelijke, maar hij legde zich vanaf zijn dertiende vooral toe op klassieke muziek, eerst de in kleine collectie Beethoven die opa van links en rechts had cadeau gekregen (Von Karajan!), dan via de mediatheken van Maaseik en later Hasselt. Wat niet belette dat hij af en toe in Peter’s kamer glipte om te ontdekken wat die weer voor nieuwigheden op de kop had getikt.

De Avonden

Voor de televisie in huis kwam, werd ’s avonds gelezen, huiswerk verbeterd of lessen voorbereid. Oma heeft ook veel gebreid. In het begin alles met de hand, en later heeft ze dan van Hermans uit Eisden een breimachine gekregen. Ze heeft voor opa ook ooit een trui gebreid, en voor de drie jongens, allemaal in hetzelfde geel. Dat was om bij de gele auto te passen misschien? Met die gele pull staan de kinderen op hun schoolfoto’s.

Dirk in het typerende gele pulloverke, rond 1970.

Maar hoe de avonden verder gevuld werden? De dagen waren sowieso wel goed gevuld. Misschien de gazet lezen? Daar was verder overdag geen tijd voor… dus eigenlijk werd dan het nieuws van de dag ervoor de avond erna gelezen. Terwijl tegenwoordig sta je ’s morgens op en lees je het nieuws direct op de computer. Maar vroeger had je daar ’s morgens geen tijd voor. De facteur kwam in de loop van de voormiddag, maar niet zo heel vroeg. ’s Middags werd warm gegeten, en dan na de school bij thuiskomst in de hof werken of dergelijke. Dus daar was geen tijd tussendoor om de gazet te lezen. Dat was wel de enige manier om een beetje op de hoogte te blijven van het nieuws, voor de televisie kwam, maar kijk, zo dringend was het ook weer niet om te weten wat er in de wereld om ging.

Wanneer de televisie juist thuis is gekomen, weten ze niet meer goed. Want toen opa met het kinderkoor optrad bij Nonkel Bob, zijn ze nog in Opgrimbie bij de familie Gorissen gaan kijken. Bart zal toen toch al wel een jaar of negen geweest zijn volgens oma. Iets later kwam er ook bij bomma in de Kerkstraat een tv in huis, in de keuken dan nog wel, en daar zag Bart al eens de Fabeltjeskrant. We gaan daar geen psycholoog voor aan het werk zetten, maar het moet gezegd dat hij zich vooral met Bor de Wolf vereenzelvigde, die werd regelmatig gepest door Reintje de Vos en bolde het dan kwaad af. (“Hoea, ik ga wel naar het Enge Bos!”).

De eerste televisie kregen ze volgens opa van nonk Jaak. Oma meent van pépé, maar volgens opa is dat niet juist. Jaak kocht een nieuwe televisie, en de oude namen zij over. Dat was een Leco, van de gelijknamige winkel in Lanklaar. Die bouwden toentertijd nog zelf televisies (Leco: Lemmens-Colson). Dat moet rond 1973 geweest zijn, Bart was toen 10 jaar oud. ’s Avonds keken we vanaf toen samen televisie. Bart herinnert zich nog wel op de woensdagmiddagen Kapitein Zeppos (serie van midden jaren 1960, tot 1969). Kapitein Zeppos wordt nu nog af en toe herhaald, ’s middags. Bart heeft nog eens geprobeerd ernaar te kijken, op vrtnu, maar het is echt niet om aan te zien, houterig toneelspel, heel traag gemonteerd, want we keken toen nog niet met zo’n snel begrip als nu. Daarvoor kwam Johan en de Alverman, maar dat hebben we niet gezien (misschien wel later in herhalingen). Daarna had je Axel Nort en De Kat, dat had al wat meer schwung en was ook veel actueler dan al die Vlaamsche Vertellingen.

Bart herinnert zich nog dat de broertjes na het kijken van De Kat – dat ging over milieuperikelen en dergelijke – in de bomen gingen kruipen om de natuur te redden. En ze klommen ook in de elektrische paal op de hoek bij het huis, meestal met de Witte of de jongens van Lemmens erbij. Later had je dan nog programma’s als De Man van 6 Miljoen, en the A-team en zo, daar bleven Peter en Dirk voor gekluisterd, maar toen had Bart zich al afgekeerd van de kijkbuis om te lezen en te tekenen. In het weekend was er wel Van Binnen en Buiten, en Van Pool tot Evenaar (dat werd omgedoopt in Van Pool tot Zeveraar). Eind jaren 1970 kwamen dan series als De Collega’s, dat was al in kleur. Opa herinnert zich nog het spelprogramma Spel zonder Grenzen. En de Berend Boudewijn Show Kwis.

Dirk herinnert zich nog dat de draaibare antenne op het dak van in de living werd bediend met een ‘klok’, die tikte terwijl de antenne ronddraaide en dan op die stand kon BRT worden gepakt, op die stand de Nl posten en op een andere stand de Duitse posten. Als het dan slecht weer was of zo dan moest daar al eens mee gespeeld worden om het beeld beter te krijgen, één van ons aan de klok en één voor de tv  (how, te ver !) soms lukte het ook niet … Het testbeeld dat weet Dirk ook nog, tv uitzendingen begon meestal pas tegen 18 u of zo (op woensdagmiddag waren er wel al van in de namiddag programma’s). We zaten meestal al op tijd klaar en dan was ’t eerst even het testbeeld voordat het eerste programma begon.

Van de zaterdagavonden thuis herinnert Bart zich ook de After Eight: chocolaatjes met vulling van munt. De kinderen waren daar niet zo zot van, maar oma wel, en geleidelijk aan werden we het toch gewoon. Op zondag kwam de Wies Andersen Show op televisie. En op de zaterdag na Berend Boudewijn kwam De Willem Ruis Lotto Show. Die was niet helemaal normaal, die was heel hevig en snel in zijn lopen en doen, een soort adhd-er op speed. Hij is ook jong gestorven. Op zondag had je ook Avro’s Toppop. Vroeger werd veel meer naar Nederland en Duitsland gekeken, op België had je nog niet zoveel interessante programma’s.

Dat gezinsleven rond de tv was natuurlijk iets heel anders dan dat van de generatie daarvoor. Waar voorheen de grote familie met drie generaties rond het erf lief en leed deelde, had je nu het kerngezin, twee generaties rond de tv.

Alcohol

Op zaterdagavond nestelden we ons na het avondeten, zo vanaf 18u30-19u, voor de televisie, oma haalde dan chips en chocolaatjes boven en dan mochten de jongens een pintje drinken (1 dus he). Volgens oma waren dat geen echte pintjes, maar wat zouden het dan zijn geweest? Alcoholvrij bier bestond nog niet, wel tafelbier. Opa en oma dronken dan ’s avonds een glaasje wijn, en toen de kinderen ouder werden zei opa: zullen we hun ook eens wat geven, dan kunnen ze er wat aan wennen. Volgens mama was het Martini, dat waren kleinere glaasjes. De eerste keer kregen ze een glaasje, om eens van te nippen om te proeven. Maar Peter was tussendoor een paar keer naar de keuken geslopen en had het ‘m goed begaaid. Opa is hem toen nog achterna gelopen toen hij naar boven ging, die was goed kwaad dat hij zich zo had laten gaan.

De zithoek van de woonkamer, hier met Dirk en tant Lienoor onder een stilleven van Bart, 1980.

Bart herinnert zich datzelfde verhaal anders. Het was zaterdagavond, en ze mochten dan inderdaad één pintje bier drinken. Maar Peter heeft eens voor zijn verjaardag een fles Martini gekregen. Die stond in de keuken, en hij heeft toen op een avond ervan geprofiteerd om die tussen de bedrijven door in de keuken ook effectief leeg te drinken. Bart sliep toen op dezelfde kamer als hij, en Peter was toen ladderzat, dat was toch wel een drama.

Bij pépé kregen we met nieuwjaar babycham, dat is wat ze nu Kidibul noemen. Bart heeft zo bij tant Sylvia ook ooit likeur gekregen, ze had niks van limonade of zo in huis, maar ze schonk het wel in een limonadeglas. Hij weet nog dat op de bus terug naar huis alles rondom hem begon te draaien. Kinderen waren dat niet gewoon natuurlijk. Hij mocht die dag eens naar Opgrimbie gaan om boeken uit te zoeken op de zolder…

Zaterdag

Zaterdag was wasdag, dan gingen de kinderen in bad. Om 11u was dan ook de top 30 op de radio, met gerechtsdeurwaarder Jo Van Backlé, daar luisterden de kinderen soms naar. Ondertussen deed opa wel eens het gras af, en dan begon de radio te kraken en te ruisen. Ze dachten dan dat het aan de ontvangst lag, maar dat was de interferentie met de grasmaaier! Vroeger werd niet elke dag in bad gegaan, daar was de zaterdag voor. En daarna onder de droogkap, de jongens ook (ondanks luide protesten). Want anders werden ze verkouden als ze met nat haar buitenkwamen zogezegd! En naar de bibliotheek werd ook al gegaan, al gebeurde dat door de week ook. Bart weet nog dat hij op den duur drie of vier keer in de week ging, om meester Vanderhoven te helpen. Op zaterdagavond was de mis, ofwel zondagochtend.

Dirk in bad, zomer 1978.

De voetbal en de Chiro

Opa slaagde erin zijn zonen warm te maken voor muziek, voor boeken lezen (althans, sommigen onder ons toch), maar wat betreft Chiro, nochtans zo belangrijk in zijn jeugd, lukte het niet. In Elen was er op dat moment geen Chiro, wel kajotters, maar uiteindelijk overtuigde hij de jongens om op een zondag naar de Chiro te gaan in Neeroeteren, waar hij No Sijbers kende. Dat werd geen groot succes. Twee of drie keer zijn ze daar aan de activiteiten op zondagmiddag gaan meedoen, maar veel meer dan boswandelingen hield dat niet in, en bovendien werd daar dan nog stiekem gerookt en gedronken bij de een of andere jongen in de achtertuin van de ouders… De grootste hinderpaal was natuurlijk dat Bart Peter en Dirk daar niemand kenden (behalve de zonen van meester Sijbers, maar dat waren nu ook niet echt vrienden).

De Miniemen van Elen, 1976.

Aan de voetbalcarrière werd al met meer geestdrift begonnen. Standard Elen was de club, en de drie musketiers smeekten oma meteen om voetbalschoenen, want zo met gewone schoenen kon je toch niet het veld op, echt? Oma was onverzettelijk: laat maar eerst eens zien dat ge het volhoudt, en dan spreken we over een paar maanden nog wel eens verder. Zo ver kwam het niet. Hoe het Peter en Dirk verging weet Bart niet, maar hijzelf zag alleszins de bal langs alle kanten passeren zonder dat hij hem raken kon. Nog faliekanter was het toen hij in het doel mocht staan: ook daar vlogen de ballen langs alle kanten binnen. Zo ging een glorierijke voetbalcarrière roemloos verloren op de terreinen van Standard Elen.

Accidenten

Op de Rijksweg (toen nog Steenweg) was er in de jaren ’60 al eens een doffe klap of knal te horen omdat er een accident gebeurd was. Dé BOB bestond al wel, maar BOB bestond nog niet, flitspalen en airbags al evenmin, veiligheidsgordels waren nog niet verplicht en tja, een rijbewijs verkrijgen was beduidend makkelijker dan nu. En de Steenweg, dat was een typische met bomen omzoomde rijksweg met een baanvak in iedere richting, waarop naar hartelust werd voorbijgestoken.

Zicht op de Steenweg ca. 1960 in Eisden.

Een van de meest memorabele momenten is dat het gezin eens op een zondagmorgen wakker werd, uit het raam keken en toen stond er een auto – een Volkswagen Kever – rechtop tegen een boom. Dat was bij Charlotte voor de deur. Uit die auto kropen een paar mensen, in hun onderbroek. Die kwamen waarschijnlijk van Maaseik, goed “getapesseerd” (zat), en zijn daar stilgevallen.

Opa herinnert zich nog een ongeluk van jaren daarvoor. Ene meneer Truien van in ’t Zand (intussen lang overleden) was boer en reed met zijn open tractor en een lange, platte wagen er achter over de Rijksweg. Daar is dan een auto, een Mini Cooper, in volle vaart achterop geknald, en die tractor lag ondersteboven! Truien lag door de schok onder de tractor maar was ongedeerd. Die heeft wel veel chance gehad, maar dat was een geweldige slag om te horen.

Er is ook eens een vrouw onder de bus gekomen. Ze stond aan de ene kant van de Steenweg (toen nog een tweerichtingsbaan met bomen langs) op de bus te wachten maar bedacht zich dan op het laatste moment dat ze eigenlijk aan de andere kant moest zijn. Het regende en het zicht was slecht, en ze is dan plompverloren onder de bus gelopen. Oma herinnert zich dan weer dat er een man bij het bushokje in het veld of in de wei ernaast is beland. Die had het aan zijn been, of heup? Achter het huis werd al eens een moto gestald die bij een accident betrokken was. Want ja, hoe ging dat: accident, ambulance, politie, en ja waar gaan we nu met die moto of die motocyclette naar toe… en dan werd die thuis achter tegen het muurtje geparkeerd, een week of al eens wat langer.

Het gebeurde ook al eens dat er ’s zondagsmorgens een fiets bij het bushokje lag, en die bleef daar dan een hele week liggen. Dat waren gasten die in Maaseik op stap geweest waren, daar een fiets gepikt hadden, daar mee tot in Elen gefietst waren en vervolgens bleef die daar achter. Als er geen bus meer was, dan pikten ze in Maaseik een fiets… dat gebeurde dikwijls.

Bushokje richting Rotem, 1979.

Op een keer toen de familie Ramakers-Meyers op vakantie vertrok naar Joegoslavië, werden ze meteen bij het uitrijden van de Heerstraat al meteen geconfronteerd met een ongeluk.

Na een vergadering van de middenstand had opa eens dienst in de parochiezaal. Met het parochiecomité hadden ze een beurtrol om de tap te doen, en op die bewuste avond had papa dus dienst. De gewestelijke voorzitter, ene mijnheer Brouwers uit Neeroeteren, bleef hangen die avond, hij had waarschijnlijk geen zin om naar huis te gaan. Tegen middernacht vertrok hij dan uiteindelijk, en opa reed achter hem aan naar huis toe nadat hij na het afsluiten de sleutel nog bij Lèèn in de brievenbus had gedeponeerd. Toen was net een ongeluk gebeurd op het kruispunt, dat op dat moment net heringericht werd in het kader van de verbreding: er was slechts verkeer in één richting mogelijk, dus het was daar een beetje een moeilijk punt. Een Nederlander kwam uit de richting van Dilsen, en uit de richting Maaseik kwam ene zekere Peters, een aannemer die op de Neeroetersesteenweg woonde. Die reed in een dikke Mercedes en draaide in richting de Stationsstraat. De wagens reden op elkaar in, mijnheer Peters zat met een bebloed hoofd over het stuur gebogen in zijn Mercedes, en die Nederlander zat bekneld in zijn eigen auto. Opa is dan naar de veldwachter – Teuwen – gelopen, die woonde een eindje verder en hij heeft die uit zijn bed gebeld. Daar zal ook wel de dichtstbijzijnde telefoon zijn geweest, want gsms bestonden uiteraard niet. Goed een jaar nadien is die Nederlander nog eens thuis geweest, om te vragen of opa iets meer gezien had, hij zocht een getuige van dat ongeluk, omwille van de verzekering. Die man was zwaar gekwetst geraakt, nog jaren nadien liep hij helemaal kreupel. Hij was bij de getuigen van Jehova, en op een bepaald moment was er een probleem met zijn vrouw, die moest geopereerd worden, maar dat mocht niet van het geloof…

Maar het meest dramatische moment was wel toen de overbuurjongen verongelukte, ergens begin jaren ’80. Laurent, in het weekend thuis tijdens zijn militaire dienst, was op een zaterdagavond met de fiets naar Rotem op café gegaan. Enkele vrienden waren daar met de auto, en Laurent is dan met hun meegereden naar Maaseik. Vlak bij zijn ouderlijk huis zijn ze tegen een muurtje geknald, de auto is op zijn kant met het dak tegen een verlichtingspaal terechtgekomen (voor het huis van de eigenaars van “De Welkom”). Enkele jongens kwamen meteen uit het wrak gekropen, maar Laurent was een grote kerel, hij zat in het midden achterin, en hij heeft die slag letterlijk op zijn hoofd gehad. Het was een enorme klap, meteen stonden een hoop mensen bij dat wrak. Laurent was al met de ambulance afgevoerd toen Charlotte en Jaak thuis arriveerden met de auto, die waren die avond ook weg, die zijn toen eerst naar Maaseik en even later achter de ambulance aan naar Leuven gereden. Laurent heeft 8 of 9 maand in coma gelegen, meestendeels in het Militair Hospitaal, want hij was nog in zijn legerdienst, en intussen werden in Elen bedevaarten naar het kapelleke voor hem gehouden …

Boeken

Toen opa bij het leger was had hij een abonnement op het verzameld werk van Herman Teirlinck, dat heeft nog lang in de gang gestaan. Hij weet nog dat hij daarvoor in aflossingen betaalde. Herman Teirlinck leefde in die periode nog, op een bepaald moment is die uitgave stopgezet. Bart herinnert zich ook nog dat er in zijn jeugd in Elen regelmatig boekenverkopers aan de deur kwamen leuren. Die verkochten reeksen boeken op afbetaling. Als onderwijzers waren ze natuurlijk gemakkelijke slachtoffers voor dit soort dingen. Die verkopers kwamen allemaal langs de school met reclames. Niet alleen voor boeken maar ook platen enzo, om “het volk te verheffen”. Dat zal begonnen zijn met de Winkler Prins encyclopedie, daar zaten briefjes van de afbetalingen in, en toen de encyclopedie aan de letter Z was geraakt, begonnen de jaarboeken. Vervolgens kwam de Fleur, een bloemen- en plantenencyclopedie, onmisbaar in een jong gezin waar de kinderen nog alles van de pracht van de natuur moeten leren. En dan natuurlijk Het Weten Waard, een reeks ingebonden katernen over vanalles en nog wat: natuurrampen, Noorse en Griekse mythologie, …

De electriciteitskast en boekenkast in de gang, bij het communiefeest van Dirk in 1978. Links: tant Lienoor en Dirk, rechts neefjes Tony en Marc Puttemans.

Zo kwamen ze ook aan de deur met naaigerief, stoomketels en dergelijke. Pépé is zo ook eens in een verkoop aan de deur getuind. Er was een Duitse vertegenwoordiger die in van die bestekkoffers handelde en die had zogezegd een beurs gehad en mocht met die koffers niet meer de grens over en wilde die daarom ‘goedkoop’ kwijt. Pépé heeft toen zo’n koffer gekocht (waarschijnlijk voor meer dan ze waard was) en hij kon daar eigenlijk ook niks mee doen… Maar kijk, nu proberen ze ons bitcoins aan te smeren op Facebook, toen smeerden ze ons vanalles aan met mooie verhaaltjes aan de voordeur.

Franken

Wat kostten de dingen zo vroeger? Een pakje sigaretten kostte toentertijd 20 frank. Een pintje had je voor een paar frank, 1 of 2. 5 frank was later al een hele deftige prijs voor een pintje bier, 25 eurocent dus. Vanaf begin jaren 1960 is dat stilaan beginnen opslaan. Daarvoor was dat allemaal heel goedkoop. Een brood zal dus in die tijd ook niet heel duur geweest zijn. Toen Dirk bij de bakker hielp, eind jaren ’70, was het al tussen 25 en 35 frank voor een brood.

Missiespaarpot, zoals bij slagerij Doumen in Rotem.

Maar je kan de euro niet meer vergelijken met de frank… Opa schijnt het toe dat veel dingen nu beter koop zijn dan vroeger. Maar het hangt er ook van af wat natuurlijk… auto’s zijn bijvoorbeeld veel ingewikkelder en duurder geworden: airco, hifi, abs, servo, … Elektronica en dergelijke is in vergelijking veel goedkoper geworden. Televisies, wasmachines, koelkasten, dat was vroeger een pak duurder. Waarschijnlijk omdat het uit China komt, en omdat het en masse ge- en verkocht wordt. Een autotelefoon (draagbare telefoon, nu GSM), dat kostte stukken van mensen in het begin. Bart heeft dat in het begin nog gehad, dat was zo’n zware bak die je in de auto kon zetten. Dirk’s eerste autotelefoon (niet draagbaar) kostte in de jaren 1993-94 59000 frank , en die mocht enkel  door Belgacom worden ingebouwd. Dat kost nu allemaal niks meer… De eerste televisies ook, die waren erg duur.

Men moest vroeger natuurlijk ook met minder rondkomen, de salarissen lagen niet hoog. Als je 25.000 frank verdiende, dan had je een royaal loon. Omgezet naar euro’s is dat € 625… dus alles was in verhouding. Als je wil vergelijken moet je dat aan beide kanten – inkomsten en uitgaven – doen…

Maar sommige dingen in de supermarkt, die kosten nu dan wel weer meer. Vers fruit, vlees, vis, die prijzen zijn allemaal omhoog aan het gaan. Nu de laatste jaren toch, en zeker sinds Corona. Als we in den tijd (begin jaren 1970) met oma naar de GB in Maaseik reden dan was dat 1000 frank voor een volle kar… Daar krijgt ge nu niks meer voor, 25 euro is dat.

Zo nu en dan probeerde het gezin Ramakers-Meyers zelfvoorzienender te leven: er is hier al gesproken over de moestuin (eigenlijk meer een oefening van in-het-moment-leven voor inspecteur Ramakers, in een vlaag van melancholie naar het voorouderlijke boerenleven), zo werd er in de jaren zeventig ook werk gemaakt van een open haard met bijhorende houtkap, waarbij heel het gezin hielp om hout uit het bos van Lanklaar te sleuren. Het moet gezegd zijn dat het verzagen van het hout met de cirkelzaag vooral een bezigheid voor Dirk en opa Hubert was.

Dirk speelt ping-pong op de oprit, 1980, met een voorraad hout op de achtergrond.
Familiefoto 1980 met onder meer opa en oma, nonk Mart, tant Maj, pépé, nonk Jaak en tant Lisette, Daniëlle, Bart, x, x, Dirk. Let op de afgetopte populieren!

Overigens durfden die bomen ook al wel eens weerbarstig zijn. Op een keer had opa van de gemeente commentaar gekregen dat de populieren achteraan het wegske te hoog werden en zo een bedreiging vormden voor de elektriciteitskabels. Hij zette als brave burger manmoedig een ladder tegen een populier en begon die af te toppen… Bartje zat zoals zo vaak binnen te lezen, maar zijn aandacht werd plots getrokken door geroep in de tuin. Het was opa Hubert, die kermend op de grond lag: de vallende top van zo’n populier had hem van zijn ladder gestoten: “bel de dokter!”. Heel spannend allemaal, gelukkig liep het goed af.