Normaalschool: het Heilig Hart Instituut

De Normaalschool in Mechelen-aan-de-Maas,
geen klein beetje geïnspireerd op het Rijksmuseum in Amsterdam.

De eerste vier jaar van zijn lagere school deed Hubert bij de zusters in Eisden. Vervolgens schakelde hij over naar de gemeenteschool, bij meester Dedroog en later in de vierde graad hoofdonderwijzer Van Reempts (het zevende en achtste jaar). Hij wou eigenlijk kleermaker worden zoals zijn oom Jean Smrke, maar Van Reempts herkende in Hubert een pedagogische roeping, en hij bereidde hem voor op het ingangsexamen op de normaalschool.

Uitstap met de Normaalschool naar de Zoo van Antwerpen.
Opa staat ergens rechts achteraan (met bril).

Opa heeft 5 jaar normaalschool gedaan. Na twee jaar vierde graad moest hij een voorbereidend jaar doen om te kunnen inschuiven. Degenen die van het college kwamen konden rechtstreeks door naar de normaalschool. Die waren op hun 12e bij het college begonnen en konden na 2 jaar doorgaan naar de normaalschool. Opa was wel bij de jongsten. In zijn klas zijn ze met 44 afgestudeerd. Toen ze begonnen waren het 3 klassen.

Opa op de normaalschool in 1956.
Vind je hem niet? Bekijk even het filmpje op de pagina “Warum”.

In het begin was dat op internaat van september tot het eerste verlof, met Allerheiligen. En daarna weer tot Kerstmis, en zo voort van verlof tot verlof. Op zondag naar de Chiro gaan zat er dus niet meer in. Op zondag werd er wel met de hele normaalschool gewandeld, dat waren een paar 100 leerlingen die in groep uitgelaten werden. Ze liepen dan in rijen van 4 langs elkaar, en langs die rij liepen 2 of 3 priesters. Zo werd over de Rijksweg gewandeld en dan in Eisden door het dorp, langs het ouderlijk huis op, en zo terug naar Maasmechelen. Als ze naar huis wilden gaan moesten ze dat op voorhand vragen (“meneer, mag ik efkes naar huis gaan?”). Vanaf ongeveer een kilometer van het huis af mochten ze dan gaan, dan renden ze langs de rij op tot ze buiten adem waren. Gauw thuis binnen springen, tas koffie drinken, en dan weer achter de rij aan rennen! Thuis waren ze dan altijd verrast want ze wisten nooit op voorhand of ze zouden komen (“wat komt gij hier doen?”). Vanaf het tweede of het derde jaar mochten ze wel op zondag naar de Chiro gaan in plaats van op school te moeten blijven rondhangen of kilometerslange wandelingen te maken. Daar heeft hij opa heel veel plezier van gehad. Hij kon dan ’s morgens even naar huis gaan, daarna naar de Chiro en dan weer naar school. Maar eerst nog het paard van de wei halen.

De kapel

Slaapzaal

Op de normaalschool werd een streng regime gehanteerd. ’s Morgens om 6 uur opstaan, eerst morgengebed met de knieën op de bank, naar de mis, eten, studie, en dan begon de les. Eten werd allemaal samen gedaan in een grote eetzaal. Daar zaten het college en de normaalschool samen in een geweldig grote ruimte, onder de kapel. Eten moest snel gebeuren.

Benodigdheden voor de internen. In opa’s tijd was het lange nachtkleed al van het lijstje verdwenen.

Alles bij elkaar moesten het toch wel 300 leerlingen zijn in de normaalschool. Er was één grote studiezaal, en drie slaapzalen. Eén hele grote, met houten vloer en ijzeren bedden. Aan de uiteinden waren twee “chambretten” waar een surveillant (priester) sliep. In het midden van die zaal stond een lange tafel waar de waskom op werd gezet. Boven die tafel liep een buis met kraantjes. In de hoek van de zaal was een toilet waar de waskom geleegd moest worden. De leerlingen stonden met hun waskom in de rij en als ze bijna bij de deur waren smeten ze het water uit de kom zo die ruimte in. Die drempel was verhoogd om te voorkomen dat het water terug de zaal in zou lopen. Als je ’s nachts naar het toilet moest, stond je daar nogal eens met je voeten in het water.

Langs één muur stonden kasten waarvan de surveillant de sleutel had. Iedere student had zijn eigen kast, op den duur vonden ze toch wel uit hoe ze die kast open konden houden. En verder stonden er rijen ijzeren bedden. Opa sliep in de buurt van een chambrette. Hij kon zijn waskom zien staan, een mooie aardewerken kom versierd met bloemetjes, van thuis meegekregen. Eén van de eerste nachten werd er met steentjes en met knikkers op die waskommen gegooid. Natuurlijk maakte dat een enorm lawaai, en opa zijn kom was al direct gesneuveld.

Hubert Ramakers (rechts) aan de grot van de Normaalschool met ’t Jaeckx Albert en Rubens Hendrik

Wat ook al eens gebeurde was dat ze met knikkers of steentjes onder de bedden door rolden, over de houten vloer. Eén van de surveillanten werd “Sidol” genoemd (E.H. Deben). Die wou natuurlijk de herrieschoppers te pakken krijgen. Hij had lege ijzeren schoensmeerdoosjes verzameld. Die deed hij half dicht, en aan de onderkant kraste hij de initialen van de leerling. Zo legde hij ze op het nachtkastje. En als ze daar dan mee durfden gooien of rollen, wist hij wie het gedaan had! Daar kwam ook zijn bijnaam vandaan, dat was het merk van de schoensmeer.

O.L.V. te bed

In het tweede jaar dat opa op de normaalschool was vonden ze op een ochtend een jongen uit Hasselt dood in zijn bed. Dat moet toch wel een schok zijn geweest.

Mede-leerlingen dragen de kist naar de begrafeniswagen, rechts opa Hubert.

Boven in het gebouw waren nog twee kleinere slaapzalen. De bovenste was de slaapzaal van O.L.V. Daar stond een heel groot Mariabeeld op een sokkel. Toen ze op de slaapzaal van O.L.V. sliepen hebben ze eens op een avond dat Mariabeeld van de sokkel gehaald en in het bed van de surveillant gelegd! En ’s avonds ging dat: “dedju dedju dedju”. Dus ze hebben daar zo toch ook wel veel plezier gehad.

s Zaterdags moesten de jongens naar de douche, in hun turnbroekje (bloot mocht niet). Daarvoor moesten ze heel het gebouw doorkruisen. Dan gingen ze op commando de douche in, de kraan werd opengedraaid (dat konden ze zelf niet, dat deed de surveillant), snel-snel wassen, kraan dicht, en weer er uit.

De douchezaal.

Kwajongensstreken

De eerste directeur die ze op de normaalschool hadden was Ghysen, de heeroom van Jos Ghysen van radio en tv. Dat was een hele grote, flinke, norse kerel. Een echte dictator, ook wel “de Beer” (dialect: de beir) genoemd. Hij regeerde van 1928 tot september 1953.

Directeur Ghysen midden op de foto naast koningin Elisabeth. Vast staat dat Koning Albert I de school heeft bezocht op dinsdag 12 maart 1929, maar of deze foto bij die gelegenheid is getrokken, is niet zeker. Op 16 oktober 1922 bracht H.M. Koningin Elisabeth al een bezoek aan de Eisdense cité. Vanaf toen kreeg een van de hoofdwegen in de tuinwijk de naam Koninginnelaan, met daarbij een Koninginnepark waarin een levensgroot witmarmeren standbeeld van Elisabeth.

Daarna kwam er een nieuwe directeur, Claassen. Die noemde zichzelf historicus, omdat hij dacht dat hij verstand had van geschiedenis. Hij kocht een sjieke auto en parkeerde die onder de galerij op de speelplaats. De knapen waren natuurlijk allemaal nieuwsgierig. Op zondag, na de mis, ging de directeur altijd met de auto rijden. En dan stonden daar 20 man rond die auto: “Oh, sjieke auto, meneer de directeur”. Hij vroeg dan: “Kent gij daar iets van?” Eén van de knapen uit opa zijn klas, Tony Tober, was de zoon van een garagist. Dus die begon een gesprekje, van “Hoeveel pk heeft die auto?” en “Neenee, ’t is echt een schoon model” en zo van die zever. Ondertussen had één van die andere knapen een dikke patat achter in de uitlaat gestopt. Toen de directeur de auto startte viel ie onmiddellijk stil! “Ja maar meneer de directeur, dat kan nu toch niet, een nieuwe auto!” Dus: “Tober, kom hier!” Kap open, wat geprutst, patat eruit, en hop starten! Patat terug in de uitlaat, enzovoort. Daar hadden ze lol van!

Huldiging van de directeur van de Normaalschool Ghysen, bijgenaamd “De Beir”. Rechts de trap waarlangs de Renault van de smid van de vakschool omhoog werd gedragen naar de galerij.

Naast de auto van de directeur stond een klein Renaultje (zoals opa er later ook één gehad heeft, zie onderaan deze pagina), en die was van de smid van de vakschool. Hij woonde in de straat achter het Heilig Hart Instituut (de Normaalschool), dus hij kwam elke dag te voet naar de school. Meestal had hij een kruiwagen bij met de nodige spullen er in, en liep hij daarmee over de speelplaats. De speelplaatsen van de normaalschool, het college en de vakschool lagen met elkaar in verbinding. Elke keer als hij met de kruiwagen over de speelplaats passeerde, keek hij eens opzij naar zijn auto, en dan liep hij door. Er liep een hele brede, lage, luie trap naar boven de galerij op. Op een dag, ’s morgens heel vroeg, hadden ze met een heel stel jongens via die trap dat Renaultje boven op de galerij gezet. De smid kwam ’s morgens met zijn kruiwagen de speelplaats op gewandeld en liet van ontsteltenis de kruiwagen uit zijn handen vallen. Daar is toen wel wat loos geweest!

De refter.
De refter van de Normaalschool, met opa Hubert als zesde. Aan de slingers en de kostuums te zien viel er iets te vieren.

Deze ervaring is opa later nog goed van pas gekomen. Zo hebben ze later ook ooit de Renault van opa in Tongeren met de hand moeten verplaatsen omdat hij ingesloten stond, die hebben ze toen met 4 man uit de rij getild.

Nog een anectdote over directeur Claassen (de zelfverklaarde historicus). Elk jaar hadden ze op de speelplaats processie. Dat was niet geasfalteerd of beklinkerd, maar gewoon zand. Met de processie werd er een pad uitgestippeld en dan moest iedere klas met een paar groepen langs die weg een zandtapijt maken. De normaalschool had een eigen harmonie, dus dan liepen ze over die weg, richting de kapel en daarna was het groot feest. Een bepaald jaar, na de processie, werd besloten dat de speelplaats verhard moest worden. Bij de graafwerken vonden ze een laagje dieper in het zand een soort van vlekken in de vloer, op bepaalde afstanden van elkaar. De directeur werd erbij gehaald. Die vond dat wel heel bijzonder, dat moest heel oud zijn en eens grondig onderzocht worden. Later bleek dat daar in de oorlog “hudo’s” gestaan hadden van het Duitse leger (wc’s)!

De speelplaats van de Normaalschool in Mechelen-aan-de-Maas.

De Piot

Prefect “de Piot” aan de Normaalschool in Maasmechelen was zoals zijn bijnaam het zegt een oudstrijder uit de eerste wereldoorlog. Hij werd nooit erg serieus genomen, hij vertelde verhalen waarin hij bijvoorbeeld tijdens de oorlog bij min 20 graden tot aan zijn knieën in de modder stond, dat soort onzin. Maar de jongens die wilden roken, wisten dat ze zondagmiddag bij hem moesten zijn, want dan was de directeur weg. Hij zat dan aan zijn bureau met in het midden daarop zo’n soort sigarettenautomaat, een soort speelgoed was dat waar sigaretten uit kwamen. Iedereen wist hoe dat werkte en waarvoor dat diende, maar hij speelde altijd de verrassing, zo van “kijk eens, wat zou er gebeuren als ik op dat knopke druk”, en de jongens die al eens graag een sigaretje rookten, speelden dat graag mee – opa niet, want hij rookte toen (nog) niet. Hoe meer ge “directeur” tegen de Piot zegde, hoe meer kans ge maakte om zo’n sigaret van hem te bemachtigen, dus dat was daar een hele vleierij van “amaai mijnheer de directeur” en “maar allé mijnheer de directeur”, terwijl hij uiteraard maar gewoon prefect was, maar zich dat allemaal graag liet aanleunen.

Trappenhal

Uitsmijter

Foto’s van het dagelijkse leven aan de Normaalschool hebben we niet, daarom hier als uitsmijter enkele artistieke foto’s van het interieur door Peter Donders, ons in handen gespeeld door Tony Smrke.

Van een Renaultje gesproken

Opa was de eerste die met een “echte” auto thuis kwam. Martin heeft wel een scooter gehad daarvoor, en een kleine driewieler. Toen opa van het leger afzwaaide in 1958 werd hij uitgenodigd om provinciaal secretaris van de Chiro te worden. Daarvoor moest hij elke week naar Hasselt. Zo heeft hij met een lening van de Chiro een auto kunnen kopen, de Renault. Daar stond dan ook een vaandeltje van de Chiro op aan de achterkant.

Het Renaultje, met Chiro-vaandel achterop.

Opera

Hubert had zoals alle leerlingen op het derde jaar van de Normaalschool de aanbeveling gekregen om lid te worden van Davidsfonds en COV. Het Davidsfonds van Mechelen-aan-de-Maas organiseerde in de toneelzaal van het H. Hart Instituut onder andere recitals met solisten van de opera van Aken. Opa herinnert zich dat hij bij een van zo’n avonden van het Davidsfonds (dat kan ook bij een toneelvoorstelling of zo zijn geweest) oma heeft opgemerkt met enkele van haar zussen. Dat was voor zij verliefd en verloofd waren, in het najaar van ’58, toen zij al collega’s waren in het wijkschooltje aan de Boudewijnlaan. De zussen Meyers kwam je nooit apart tegen, zij trokken altijd in gezelschap op zoals toen gebruikelijk was. Ook als oma en opa later verloofd waren en op uitstap trokken naar het kamp van de Chiro of zo, gingen er altijd zussen mee. En ja, ook de Meyers waren als goede katholieke cultureel geïnteresseerde burgers lid van het Davidsfonds. Op de normaalschool was ook een toneelgezelschap actief, bestaande uit leerlingen van het laatstejaar. René Swartenbroekx was daar één van de voortrekkers van, de onderwijzer die later furore zou maken als jeugdauteur, scenarist en vader van kampioene Ann “Bieke” Swartenbroekx.

Door die recitals ontstond bij opa en zijn vrienden het vurige verlangen om de opera van Aken te gaan verkennen. Mon van het Bekkerke had een auto, dat kwam handig uit, en zo ging een delegatie bestaande uit René Rakels en andere bevriende chiroleiders / volksdansers / serenadezangers en klauwleggers enkele malen op grensoverschrijdende uitstap. Opa herinnert zich nog De Toverfluit van Mozart. Op terugweg van Aken – Heerlen – Maastricht – Eisden werd het gezelschap aan de Duitse grens tegengehouden. Mon liet de wagen ietske te ver over de witte lijn lopen, waarop de douanier hem vermanend aansprak: “Hier mussen Sie halten”, waarop achter in de auto iemand opmerkte: “daar hadt ge in ’40 ook maar aan moeten denken!”. Verder verliep de tocht vlekkeloos.

In het gezin van Theike Bekkers, bakker van ACV-coöperatieve de Welvaart, hadden ze altijd grote stijlvolle auto’s. Opa en oma zijn nog getrouwd in een zwarte Opel Capitän, met zoon Jan Bekkers, de broer van Mon, aan het stuur.