Eisden in kaart

Eisden op het ‘primitief’ kadasterplan uit 1840-1843, geklemd tussen de Kiezelweg van Maastricht (= Rijksweg) en de Zuid-Willemsvaart. Er is wel al een kanaalkom tegenover de Dorpstraat, maar nog geen draaibrug. De enige brug is op dat moment de Vuchterbrug over de Kiezelweg. Aan het uiteinde van de Dorpstraat tegen het kanaal links vinden we midden 19de eeuw het huis van Tossanus Augustinus Ramakers (voorouder van Antoon Ramakers, de burgemeester in het interbellum, en verre familie van ons). Die familie Ramakers hield daar onder andere een logement voor schippers. Rechts lag wat verder van de weg (eigenlijk langs het jaagpad) een ruime boerderij annex café-logement gebouwd in 1832 door Joannes Scheepers en vanaf 1902 uitgebaat door Vencken-Theunissen. Het laatste huis aan de Dorpstraat zelf rechts moet de hoeve zijn waar onze familie Ramakers midden 19de eeuw huisde. Op het lege perceel links ervan werd later door de familie Dexters hun café-charcuterie-hotel-feestzaal Apollo gebouwd. Meer info over de situatie aan de brug in Eisden, jg. 36 nr. 2 p. 53 e.v.
Een uittreksel uit dezelfde kaart, hier met de percelen. Er staan nog haast geen huizen in de Populierenweg en ook in de Dorpstraat is er veel minder bebouwing dan nu.
Detail van het primitief kadasterplan, afgerond in 1843. Het uitgelichte perceel bovenaan is perceel 930 (nu B930k en B930l), waar kennelijk in die tijd al een hoeve stond. Dit is de latere Dorpsstraat 66 / 108, het perceel waar wie weet Joannes Ramakers (1804-1873) neerstreek, waar zijn zoon Joannes Martinus zou wonen, waar zijn zonen Pèèrdskeutele Pier en Koëb zouden boeren, waar Pépé een nieuw voorhuis bouwde en zijn broer Tinus de boerderij hield en waar Hubert en later Bart geboren werden. Het onderste uitgelichte perceel 914 was toen nog een weide, later zou daar de hoeve Brouns-Dedroog komen.
Kadasterplan van Eisden anno 2021. De Dorpstraat heet nu de Langstraat, en dat is niet het enige verschil…

Wat hier volgt is een noodzakelijkerwijs fragmentarisch beeld van een Maasdorp in het midden van de 20ste eeuw. Centraal staat het Boseind, het uiteinde van de Dorpstraat of Langstraat in Eisden bij de draaibrug aan het kanaal. Daar werd opa Hubert Ramakers geboren op 18 januari 1937.

Het Boseind

Zicht vanop de draaibrug richting Eisden dorp, met als tweede huis links het ouderlijke huis van Hubert Ramakers, opgetrokken op de plaats van een oudere hoeve in het begin van de jaren ’30 van de 20ste eeuw. Het daarachterliggende stalletje met de mergelstenen was nog een reliek van de oude boerderij. Deze foto dateert allicht van het einde van de jaren ’30.

In opa’s jeugd heette de straat Dorpstraat, en later (ergens vanaf het midden van de jaren ’50) Langstraat. Op sommige postkaarten staat “Boschstraat”, zo heette het oorspronkelijk. Zowel in Eisden als in Mechelen-aan-de-Maas lag het uiterste eind van de Dorpstraat tegen de “woeste gronden” en men noemde dat “boseind” (dialect: boschèng). Dat wil niet zeggen dat er echt veel bos was. “Bos” was een verzamelnaam voor alles wat onontgonnen was: van de 400 hectare (1866) was er 384 hectare heide en slechts 18 hectare bos. (Eisden, jg. 12 nr. 3 p. 24).

De heide in 1903.

Dat waren meestal “gemene gronden” die aan de gemeenschap toebehoorden, en die lagen vrijwel allemaal ten westen van het kanaal. De grenzen ervan waren zelfs niet zo heel duidelijk, er waren geregeld grensdisputen tussen de aanpalende dorpen. Daar dwaalde de herder met zijn schapen rond, daar werd turf gestoken en hout gesprokkeld, maar daar woonde haast niemand, behalve Mie Mercken en een al even solitaire bezembinder.

De laatste herder, Lucas Wijshof.
Mie Mercken bij haar kelderhut, ca. 1900.
De eerste boortoren van de mijn op de verder nog ongerepte woeste gronden,
ca. 1910.

Kiezelbeiren

Maar goed, het ouderlijk huis stond dus “op het boseind”. Sinds het kanaal was aangelegd en een brug geplaatst (1875), werd ook wel “aan de brök” gezegd. Onmiddellijk achter het kanaal waren er de kiezelkuilen van ondermeer de families Ramakers (de tak van burgemeester Antoon Ramakers), Dexters en later (Sus) Dedroog, een van onze voorouders. De Eisdense kiezel, die gewonnen werd aan de overzijde van het kanaal, stond vanaf ongeveer 1875 bekend omwille van zijn hoge leemgehalte (in tegenstelling tot de kiezel die aan de Maas gewonnen werd), en was bij uitstek geschikt voor de aanleg van wegen en (kanaal)dijken. Al lang voor de ondergrond werd ontgonnen op zoek naar steenkool waren de Eisdenaren dus al bekend als “kiezelbeiren”. De ondernemendsten hadden hun eigen schepen, hielden café-logement voor schippers langs het kanaal (zo de families Dedroog, Ramakers, Dexters,…), en sommigen ontwikkelden zich in de twintigste eeuw tot grote aannemers (Antoon Ramakers).

De voormalige kiezelkuilen, later door de mijn gebruikt om vliegas te storten.

Vrijthof, gemeentehuis, kerk

Het Vrijthof is het kloppend hart van Eisden Dorp. Daar bevonden zich de kerk, de pastorie en het gemeentehuis, daar werd markt gehouden, daar moest opa Hubert iedere ochtend over om de koeien van het Boseind naar de Broekstraat te brengen.

Eisden pastorie en kerk ca. 1905.

De oude pastorie, met stro bedekt, stamde uit 1718, en werd in 1863 vervangen door een volledig nieuw gebouw, dat op haar beurt midden 20ste eeuw vervangen werd. De van oorsprong 13de eeuwse kerk werd in de periode 1929-32 uitgebreid en de toren (uit 1783) in 1952 verhoogd. Het gemeentehuis was 1 april 1945, in de nadagen van WOII en van de decennialange heerschappij van burgemeester Antoon Ramakers en zijn tijdens de tweede wereldoorlog collaborerende schoonzoon, slachtoffer van een geheimzinnige brand en werd afgebroken. In 1952 verrees een gloednieuw raadhuis in Maaslandse renaissancestijl. Ondertussen hadden de katholieken met burgemeester Dexters in 1946 de macht overgenomen, en pépé – van “katholieke” huize en jarenlang buurman van de familie Dexters – behoorde tot de nieuwe lichting gemeentepersoneel.

De oude kerk en pastorie gezien vanop de Steenweg, voor 1929. De parochie Eisden-dorp komt eigenlijk van Mulheim, met de Sint-Willibrordus put. De Sint-Willibrordus balk hing vroeger in Mulheim, maar hangt nu in Eisden-dorp in de kerk. De Sint Barbara parochie is pas ontstaan met de komst van de mijn, Sint Barbara is de patrones van de mijnwerkers. Nochtans staat op veel postkaarten de kerk van Eisden Dorp als “Ste Barbe” vermeld.
De orginele kerk stammend uit de 13de eeuw, gezien vanop het Vrijthof ca. 1910, dus ruim voor 1929-32 (de vergroting onder pastoor Prinsen). De financiering van de ambitieuze plannen van pastoor Prinsen was onderwerp van zware discussies tussen de liberale en de katholieke fracties in de Eisdense gemeentepolitiek. Zie ook hier.
De Sint-Willibrorduskerk nu, met de in 1952 verhoogde toren.
Eisden-Dorp, waar het oude verdwenen gemeentehuis even terugkeert. Links van het oude gemeentehuis stond het vroegere schoolgebouw.
Foto en Photoshop: Frank Quax.
De Markt van Eisden, met het nieuwe gemeentehuis (1952),
nu Maaslands Huis. Het oude afgebrande gemeentehuis stond dichter bij de kerk, zowat in het midden van de huidige markt.

Naar school

Tijdens het Ancien Régime was het onderwijs een bevoegdheid van de parochie, en in praktijk meestal van de koster. Er stond in een hoekje van het kerkhof naar verluid een lemen gebouwtje met een strooien dak, dat als schoollokaal moest dienen. Dat wil niet zeggen dat er altijd school gehouden werd, de koster was niet altijd bekwaam en ook niet altijd gemotiveerd. In 1710 bijvoorbeeld noteert de aartsdiaken bij zijn visitatie over het schoolwezen in Eisden dat de koster school moest houden, maar had “nagelaten dit ook werkelijk te doen”. In inspectie-rapporten uit de periode 1817-1830 blijkt Eisden een witte vlek te zijn: in zowat alle omliggende gemeenten is er een of andere vorm van onderwijs, behalve daar. De weinige kinderen die naar school gingen, deden dat in Leut of Mechelen. In 1830, na het franse en het nederlandse bewind, moet het schoollokaal op het kerkhof in een zodanig deerniswekkende toestand zijn geweest, dat de gemeente toestemming vroeg om eiken en essen te kappen om het gebouwtje te herstellen.

Links beneden op dit uittreksel uit het primitief kadaster (1843) staat er een gebouwtje binnen de kerkhofmuur rond de kerk: het lemen schoollokaaltje?

Daarmee was het nog niet meteen rozengeur en maneschijn voor de leergierige Eisdense jeugd: in 1832 zou de onderwijzer zelfs niet betaald zijn geweest, omdat hij slechts drie maanden les had gegeven. Een omhaling in 1845 om geld in te zamelen voor de bouw van een gemeentehuis/school, leverde 1256 frank op. De eerste onderwijzer in die school zou de heer Tournier zijn geweest, in 1864 opgevolgd door de heer Feytmans en in 1867 door Joris (Georges) Conings, toen 24 jaar. We hebben er geen zekerheid over waar die school zich bevond; op de overzichtskaart van het primitieve kadaster uit 1843 is er wel al een gebouw te zien midden op het Vrijthof, waar tot 1965 een gemeentegebouw bleef staan (zie lager).

Een fragment uit de overzichtskaart van hetzelfde primitief kadaster (1843) toont geen gebouwtje binnen de kerkhofmuur, maar een gebouw midden op het Vrijthof: het destijds gebouwde gemeentehuis/schoolhuis?

Dat zal naar alle waarschijnlijkheid niet het definitieve raadshuis/schoolhuis zijn, want in 1877 besloot de gemeenteraad de schoollokalen om te vormen tot schoolhuis (woning voor de onderwijzer), en tot de bouw van nieuwe schoollokalen en een gemeentehuis, waarvan de eerste steen in 1881 werd gelegd. In volle schoolstrijd was dat: de katholieken hadden intussen ook een school opgericht, met een voormalige smid als onderwijzer, later opgevolgd door een “Juffer Pâques”, waarvan de pedagogische kwaliteiten al evenzeer betwist werden. Beide scholen waren gemengd en hadden zo rond 1880 samen een 90-tal leerlingen in de winter (80 in de zomer). Op een of andere manier slaagden de katholieken erin ook hun onderwijs door de gemeente te laten betoelagen, waardoor die zich danig in de financiële nesten werkte. Ondertussen was er in 1846 ook nog eens een ‘private’ school ingericht door Martin Dirckx, een scenario dat zich zo’n 90 jaar later nog eens zou herhalen (Zjang Dedroog).

Het raadhuis met aan de voorzijde het schoolhuis, woning van de onderwijzer. Of de leslokalen in ditzelfde gebouw waren ondergebracht of elders op of rond het Vrijthof, is een raadsel.
Het oude schoolhuis, later raadshuis, waarschijnlijk uit 1881, dat nog enkele jaren na de brand van het gemeentehuis (1945) is blijven staan, tot in 1965. Toen dat werd afgebroken, werd ook de weg die midden over de markt liep opgeheven en op die manier werd de markt flink vergroot.
Afbraak van het voormalige schoolhuis-raadhuis in 1965.

Het schoolhuis/raadhuis diende als noodgemeentehuis na de brand van het aanpalende gemeentehuis in 1945, en deed na de bouw van het nieuwe gemeentehuis in 1952 dienst als brandweerkazerne. Intussen was er wegens de enorme bevolkingstoename in 1928 een nieuwe gemeenteschool aanbesteed in ’t Veldje, die drie jaar later plechtig ingehuldigd werd.

Daarmee is zeker niet de hele geschiedenis van het onderwijs in Eisden verteld; er was ook de zusterschool (oorspronkelijk ook op het Vrijthof) en een tijdlang de katholieke school van meester Dedroog, wat binnen de Eisdense goegemeente tot allerlei verknipte situaties leidde. Op initiatief van burgemeester Antoon Ramakers werd er vlak voor de tweede wereldoorlog ook een rijksmiddelbare school (atheneum) gesticht.

Postkaart van de Onderwijsstraat te Eisden, door pépé gestuurd naar opa toen die aan de Normaalschool te Mechelen-aan-de-Maas studeerde. Op de voorgrond: het atheneum. Op de achtergrond rechts de gemeenteschool. Detail: deze postkaart werd uitgegeven door de familie Bekkers, die winkel hield in de Geeststraat, waarvan de zonen in de Chiro zaten bij opa, en waar opa en oma hun eerste meubeltjes zouden kopen.

[Deze alinea’s zijn geplukt uit G.H. Dexters, de Heerlijkheid Eisden, p. 63 ev en J. Kohlbacher, Onderwijs in Eisden 1817-1830 in Eisden, jg. 18 nr. 3

De zakkende huizen aan de brug

Opa’s jeugd speelde zich dus af op het Boseind, en wel naast de Zuid-Willemsvaart, waar schepen geladen met kiezel en steenkool over het water gleden, voortgetrokken door paarden of sleepboten.

Napoleon al droomde van een waterweg tussen Antwerpen en Duitsland. Het kanaal Bocholt-Herentals was daar een onderdeel van, en in Nederland werd ook een een stukje aangelegd tot in Beringe (Nl) maar dat is nooit afgewerkt (de Noordervaart). Een “rigole navigable” (voedingskanaal) van Maastricht moest water brengen naar Bocholt. Ondertussen droomden de Nederlanders van een bevaarbaarder weg dan de Maas, die met lage waterstand onbevaarbaar was. Daarom verbreedden zij onder Willem dat voedingskanaal in de jaren ’20 van de negentiende eeuw, en zo ontstond de Zuid-Willemsvaart, die werd doorgetrokken naar ’s-Hertogenbosch. Honderd jaar later, in 1926, werd het kanaal nog eens verbreed.

Op dit detail van een postkaart van de Vuchter brug zie je rechts het kemiezenhuisje (commies = douanier), en allicht rechts op de brug de brugwachter.

In Eisden waren er twee bruggen over het kanaal: de brug van Vucht (over de Maastrichter Kiezelweg, nu de Rijksweg) en later de draaibrug aan de Boschstraat (1875-1936) – op het Boscheind dus. Aan bijna elke brug stond een kemiezenhuisje, daar zaten de rijkswachters/douaniers in om een soort van “grenscontrole” te houden. Als je een varken of ander beest moest vervoeren, moest je bij hun een “pasevang” gaan tonen (“pas avant”) – een bewijs om je dier te mogen vervoeren. In de tijd van de bezetting door de Duitsers in de Eerste Wereldoorlog moest je ook een bewijs van de gemeente hebben om de brug over te mogen. We hebben nog zo’n documenten van Jacobus Ramakers en zijn broer Pèèrdskeutele Pier, want die hadden een koolzaadveldje aan de overkant, zo ongeveer waar nu de Terhillslaan is.

De draaibrug in Eisden in 1917, met een passerend stoomschip. Op de brug Duitse soldaten, ondermeer belast met het controleren van de “pasevangs”. Rechtsachter zit een jongetje op de slagboom nieuwsgierig te kijken, en achter hem ligt het café-logement Vencken-Theunissen, waar schippers en voerlieden terechtkonden voor een maaltijd of voor het verzorgen van de paarden (veel schepen werden nog getrokken van over het jaagpad). Het logement moest begin jaren ’30 plaats maken voor de aanleg van de oprit naar de hogere brug. Het logement van Lens Dedroog verderop richting Lanklaar had intussen ook plaats moeten ruimen bij de versteviging van de kanaaldijk.

Een jaar voor opa geboren werd, werd de draaibrug vervangen door een vaste brug, enkele honderden meters verder noordelijk. Opa weet nog dat er in zijn jeugd een kiezeldijk lag van ongeveer een meter hoog. Vanuit het café op de hoek aan de overkant van de straat (bij Knevels) konden ze nog over het kanaal kijken.

De draaibrug voor 1911, met uiterst links “café-logement” Vencken-Theunissen,
daarachter de oude boerderij Ramakers, en rechts het huis van aannemer en burgemeester Antoon Ramakers, waar eveneens café-logement werd gehouden. Het rechtse huis Ramakers werd in 1926 bij de verbreding van het kanaal deels onteigend en vervangen door café Knevels. Het daarachter liggende huis, eveneens van Antoon Ramakers, werd nog een tijd lang verhuurd, ondermeer een tijdlang aan de familie van Frans Vanreempts. Antoon was intussen verhuisd naar Villa Yvonne aan de Rijksweg, genoemd naar zijn dochter.
Nog eens de draaibrug, deze keer met links het nieuwe huis Dexters (anno 1911), café-charcuterie-hotel-feestzaal. Hier en hier vind je andere zichten op de Boschstraat, met het ouderlijk huis Ramakers.
Hetzelfde zicht, als je goed kijkt zie je rechts achter huis Dexters de witte zijgevel van de dwarse hoeve Ramakers (het voorste stuk, een stal).
Het Boscheind bij de verbredingswerken aan het kanaal ca. 1935. Het logement Vencken-Theunissen is nog herkenbaar, erachter links het huis Dexters en vervolgens de voorzijde van het huis van burgemeester Ramakers. Vencken-Theunissen en het voorste stuk van het huis van Ramakers zouden kort daarna afgebroken worden. (Foto’s uit Eisden jg 38 nr 3, artikel van Jos Debois)
Werken aan de oprit van de nieuwe brug 1935-36; op de voorgrond nog de draaibrug die kort daarna uit gebruik zou worden genomen. Rechts nog de volledige herberg Dexters met achterliggend de zaal Apollo en dichter naar ons toe het toen nieuwe café Knevels. Het witte café-logement Venken-Theunissen is inmiddels al verdwenen onder de oprit naar de brug, en het kanaal ligt nog op het niveau van de voordeuren. De tramzate die de tram van de brug naar de Rijksweg moest leiden werd pas aangelegd en passeerde aan het kerkhof over de passerelle. Merk de zeer hoge electriciteitspaal op, nodig omdat de masten van de schepen eronder door moesten kunnen, en de werkmannen die Café Knevels aan het afwerken zijn.
Hetzelfde zicht, nu met het afgewerkte Café Knevels op een stuk van het resterende perceel van Ramakers Antoon, en met rechts van huis Dexters het nieuwe huis van pépé – Leonardus Ramakers. Van de oude hoeve zie je aan de straatkant enkel nog het mergelstenen zijgeveltje van de stal rechts van het geleeg (wc/paardenstal). De draaibrug zal allicht kort hierna afgebroken zijn, want de nieuwe brug hogerop werd tegelijk met Café Knevels gebouwd (zie vorige foto).

De vaste brug over het kanaal werd op 10 mei 1940 gedynamiteerd om de Duitsers de doortocht te beletten. Ze werd vervangen door een voorlopige “piano”-brug en tenslotte in 1956 door de huidige, nog dichter naar de mijn toe. Uiteindelijk moest het huis Dexters naast het ouderlijk huis afgebroken worden zodat de bocht naar de brug breder gemaakt kon worden. Daarbij sneuvelde ook wasserij Peters, zie intussen de plaats van zaal Apollo had ingenomen.

De “piano”brug die als noodbrug diende tot 1956.
De pianobrug in 1947
(met Leni, dochter van sleepbootkapitein Albert Thyssens).
De brug uit 1956.

Opa heeft niet anders geweten dat de huizen intussen jarenlang bleven zakken. Door de mijnbouw is het dorp Eisden altijd maar lager komen te liggen en heeft men de dijk telkens moeten ophogen. De mijnverzakkingen in Eisden waren het ergst half jaren 1950 tot half jaren 1960. De huizen konden toen wel 20 cm per jaar zakken. Een aantal huizen in het dorp moest worden afgebroken omdat de muren gingen scheuren. Het huis waar vroeger café Knevels was bestaat nog, vroeger keek men vanaf de begane grond op het kanaal, nu enkel vanaf de zolder!

De situatie voor huis Dexters afgebroken werd.
Opa herinnert zich dat op een gegeven moment een paard op de afrit van de brug op hol sloeg en door de voorruit van Café Knevels vloog. Op dit moment komt de kanaaldijk tot net onder de dakvensters.
HBVL 05.01.1977
Het voormalige café Knevels, foto door Paul Hermans – Own work, CC BY-SA 3.0.
De dijk van het kanaal, nu ter hoogte van de tweede verdieping, lag oorspronkelijk op gelijke hoogte met de stoep.

Vroeger liep er ook een tram door de Dorpstraat, maar naarmate de brug richting mijn opschoof, verhuisde die lijn om over de brug en vervolgens een passerelle langs het kerkhof naar de Rijksweg terug te keren.

De Vuchterbrug ca. 1909, aan de huidige Rijksweg.
Ook deze brug is intussen verplaatst en verhoogd. Rechts het wachthuisje van de kemiezen, links café “Quand-arrive-t-il (le tram)” – dit pand aan de Oude Rijksbaan, daterend uit 1827 en dus even oud als de Zuid-Willemsvaart zelf, bestaat nog steeds maar is nu volledig ingesloten tussen Rijksweg, Zuid-Willemsvaart en de Ontsluitingsweg.
Stoomschip “Marcel” aan de draaibrug in Mechelen-aan-de-Maas. Zo’n sleepboot kon tot 5 schepen voortslepen met lange lijnen die bovenin de mast van de getrokken schepen bevestigd werden. In de bochten van het kanaal stonden palen die deze lijnen moesten geleiden.
De brugwachter was kennelijk niet geduldig genoeg om enkele seconden stil te staan; hij verschijnt links als een fantoom op deze afbeelding
Nog een zicht op het kanaal, dit keer met vooraan een overzet, en tussen de aangemeerde schepen een sleepboot. Deze foto is wellicht op een feestdag genomen, aangezien iedereen er op zijn paasbest op staat.
Een zeldzame afbeelding van een schip met gehesen zeil. Dat diende om een beetje extra voortbeweging te verzekeren, maar op zich was het niet voldoende om zo’n schip in beweging te houden, daarvoor werden meestal paarden of sleepboten ingeschakeld (hier niet zichtbaar). Dit schip sleept op haar beurt nog iets mee – een volgend schip allicht.

Het beloofde land

Vlak voor de Eerste Wereldoorlog verscheen er op de ‘gemene gronden’ van het 300 inwoners tellende dorpje Eisden, net aan de overkant van de Zuid-Willemsvaart, de steenkoolmijn van Eisden van de 1907 opgerichte Société Anonyme des Charbonnages Limbourg-Meuse, die vanaf 1922 steenkool begon te produceren. Grote percelen heide werden één voor één door de gemeente aan de mijn verkocht. Daarmee veranderde alles aan de overkant aan het kanaal: er kwamen gigantische installaties van de mijn, met daarnaast een tuinwijk met arbeiderswoningen en tenslotte een heuse winkel- en uitgaanswijk: de Pauwengraaf.

Een beetje surrealistisch was dat, want voordat de koolmijn begon, stond daar geen enkel huis. Er stond alleen het huisje van Mie Merken. Dat is bekend geworden omdat Oscar Bronckaers er een ets van gemaakt heeft. Voor de rest was aan die kant van het kanaal totaal niets. Alleen vlak over de oude brug stonden enkele huizen.

De overkant van het kanaal (nu Nijverheidslaan).

De overkant van het kanaal was een heel andere wereld. Toen de koolmijn in werking was en de cité ontstond, is ook de Pauwengraaf als winkelstraat ontwikkeld. Eerst was dat maar een paar 100 meter, later is het verlengd. Het is daar dat nonk Smrke zijn kleermakerij had. Een paar families uit het dorp hebben zich daar toen gevestigd om zaken te doen. Meester Zjang Dedroog heeft daar bijvoorbeeld enkele huizen gebouwd. Jean Smrke huurde van hem een huis. Naast Smrke woonde de familie Berends van Maasmechelen, die baatten daar een winkel uit. Maar ook bijvoorbeeld de Van Bokrijks. De eerste Grand Bazar is geopend door de dochter van “Neir de smid”, die uit Eisden-dorp was gekomen. De apotheek werd uitgebaat door juffrouw Roebroeck, een dochter van de fruitboer uit Elen. Zij had de eerste apotheek in Eisden, vooraan rechts op de Pauwengraaf, naast drukkerij Gijsenbergs, en vlakbij dokter Faleys.

De eerste cinema’s zijn gebouwd langs de Kruindersweg. Daar lagen er twee tegenover elkaar, de Forum en de Palace. Al die mensen op de Cité moesten zich kunnen vermaken en inkopen doen, en uiteindelijk is de Pauwengraaf uitgegroeid tot het winkelhart van Eisden, je vond daar meer dan in het dorp zelf.

De Pauwengraaf in de jaren ’60

In zijn tienerjaren had opa eigenlijk heel weinig contact met jongeren aan die kant van het kanaal. Alleen toen ze bij de Chiro waren, toen verbroederde de Chiro van Eisden-dorp nogal eens met die van Eisden-Cité. Zo leerde opa onder andere de broer van zijn latere schoonbroer Giel Vanderheyden kennen, Zjeng. En de muziekschool van Madame Vigneron-Ramakers was daar natuurlijk. Maar verder hadden ze weinig contacten met de jongeren van de cité. Vaak waren dat ook arbeidsmigranten: Italianen, Polen, Slovenen, … Er zaten ook Vlamingen bij, maar de kompels (mijnwerkers) waren vaak migranten, met hun eigen verenigingen en hun eigen gemeenschapsleven. Er bestaat in Maasmechelen bijvoorbeeld nog altijd een Sloveens koor en een Italiaanse vereniging.

Koning Boudewijn en koningin Fabiola op bezoek op de Pauwengraaf, 1968.

Over de mijn kan je natuurlijk een lijvige geschiedenis op zich schrijven, dat valt helemaal buiten ons bestek. Doorheen de duizenden pagina’s van Eisden, het tijdschrift van de Heemkundige Kring, kan je je een goed beeld van die geschiedenis vormen. Een verhaal van een industriële exploitatie, gefinancierd door grote franstalige financiële holdings, die met grote trom werd binnengehaald in het armetierige achtergestelde Maasland omdat zij vooruitgang en welvaart zou brengen.

Algauw bleek dat de plaatselijke keuterboeren en brikkenbakkers niet volstonden (en meestal ook niet stonden te trappelen) om het zware, vuile, gevaarlijke en ongezonde werk te doen. Er werden massaal arbeiders van buitenaf aangetrokken, aanvankelijk mensen uit Centraal-Europa met ervaring in mijnbouw (bv. uit Oostenrijk en Polen), na de tweede wereldoorlog ook arbeiders uit het Middellandse Zeegebied (Italië, Marokko, Turkije…). Allemaal mensen die hunkerden naar een betere toekomst. Dat laatste was relatief natuurlijk. De lonen waren laag, er vielen honderden doden bij instortingen en andere ondergrondse ongelukken, veel van die ongelukken werden niet als dusdanig erkend omdat de mijn haar eigen verzekeraar was, en talloze mijnwerkers stierven voortijdig aan stoflong.

Een typisch voorbeeld van een tweewoonst in de Eisdense tuinwijk, waar nu het Mijnmuseum gevestigd is. Foto door Eebie – Eigen werk, CC BY 4.0

Maar meer dan waarschijnlijk bood Eisden met haar mooi uitgebouwde tuinwijk, het commerciële centrum de Pauwengraaf en het drukke verenigingsleven meer comfort en welvaart aan deze gelukzoekers dan hun regio’s van herkomst. Achteraf gezien is de balans van de hele onderneming ambigu natuurlijk. Ongetwijfeld hebben de financiële investeerders zich verrijkt op de rug van de mijnwerkers, die er vaak hun gezondheid en een flink aantal levensjaren bij inschoten. Anderzijds valt het niet te loochenen dat we met z’n allen in die honderdtwintig jaar tijd tot een ongekend luxueuze levensstandaard zijn opgeklommen, mede door de industrialisatie waar de mijnen een onmisbaar onderdeel van waren.

Ondertussen ligt in Eisden het belangrijkste commerciële centrum van het Limburgse Maasland. Op een deel van het vroegere mijnterrein, omgedoopt tot Leisure Valley, is in 2001 een outlet-center Maasmechelen Village verrezen. Op het mijnterrein van Eisden is sinds medio 2013 onder de naam Connecterra de prestigieuze Hoofdpoort naar het Nationaal Park Hoge Kempen geopend, met in de onmiddellijke nabijheid plannen voor onder meer verblijfstoerisme, detailhandel, sport en wellness onder de naam Terhills.

Maasmechelen Village

Of dat alles een verbetering is, dat valt eigenlijk buiten het denk- en bespreekbare. Wat valt er te verkiezen, een arcadisch heidelandschap met keuterboeren die ten prooi waren aan honger, besmettelijke ziektes, die amper konden lezen en schrijven en zelden ouder dan 65 werden, of het huidige drukbebouwde shoppingparadijs waar we elkaar verdringen in onze vierwielers, waar we al weten dat we ziek zijn voor we er iets van voelen, en waar het in de woonzorgcentra wemelt van de tachtigplussers?