Opa was dienstplichtig, nonk Mart was al voor hem in het leger geweest. Jaak hoefde daarna niet meer, in die tijd waren het “twee broederdiensten”. Opa heeft een paar jaar uitstel gekregen om zijn studies aan de Normaalschool af te maken. Toen hij gediplomeerd werd, was hij eerst van plan verder te studeren in Brussel, hij heeft zich zelfs ingeschreven aan de regentenschool daar. Maar na de vakantie kwam er een mogelijkheid om les te geven in Eisden zelf, en daarom heeft hij uiteindelijk afgezien van die regentenschool in Brussel. Hij had nog een jaar uitstel van het leger lopen, ondertussen heeft hij nog een aantal interims kunnen doen.

Kazerne majoor Blairon Turnhout

In 1957 is opa dan opgeroepen voor de legerdienst. Die was toen nog gesteld op 18 maanden, maar men was op dat moment bezig om hem naar 15 maanden te verkorten. Opa wou per se afzwaaien voor het volgende schooljaar begon, daarom heeft hij ervoor gekozen om niet in het reservekader te dienen maar als gewone soldaat, zodat hij in augustus kon afzwaaien en in september op de school in Eisden kon beginnen.

Kazerne majoor Blairon Paradeplein

Hij werd opgeroepen naar Turnhout, de kazerne majoor Blairon. Daar stond toen – en staat nu nog altijd – boven de poort: “hier temt men leeuwen”. Dat was het opleidingscentrum voor de infanterie (mannen met geweren te voet). Later is opa dan bij de cyclisten terecht gekomen (mannen met geweren op de fiets) maar ze hebben nooit een fiets gehad! Dat fietsen kwam pas later met oma.

5 juni 1957: intrede in Kazerne Blairon.
Hubert Ramakers als voorlaatste beneden.

De eerste opleiding was in Turnhout, en dat was echt heel streng in die tijd. Die opleiding duurde ongeveer twee maanden. De eerste weken was echt afzien, dat hadden ze nooit meegemaakt. Ze hadden wel bij de Chiro een tamelijk militaristische training gehad, en voor een deel was dat ook zo bij het leger. De “drill” bij het leger hadden ze bij de Chiro ook gehad, dus daar stond hij in Turnhout nog tamelijk goed mee. Maar opa is in Turnhout verschillende keren op rapport moeten komen om uit te leggen waarom hij niet voor het reservekader had gekozen. De reden was natuurlijk eenvoudig: het vooruitzicht om voor het volgende schooljaar te kunnen afzwaaien. Maar eens hij in Duitsland was, moest hij nog eens opnieuw op rapport komen daarvoor! Blijkbaar werd iedereen die normaalschool had gedaan geacht voor reserve-officier te gaan…

5 juni 1957: intrede in Kazerne Blairon.

De compagnie in Turnhout was een heel gemengd gezelschap. Aan het einde van de opleiding werden ze verdeeld over België en Duitsland, maar opa was de enige van zijn compagnie die helemaal alleen naar Spich in Duitsland mocht (of eigenlijk: moest). Dat was een kazerne buiten Keulen. Je kon zelf aangeven of je in België wilde blijven of naar Duitsland wilde. Degenen die naar Duitsland wilden, konden in vijftien maanden afzwaaien. Ze mochten dan wel ook minder vaak naar huis, slechts éénmaal per twee maanden hadden ze een week verlof. Opa had dus voorkeur voor Duitsland opgegeven en kwam zo in Spich terecht.

Hij reisde per trein naar Keulen, en daar werd hij met nog wat andere miliciens (uit andere kazernes) afgehaald op het station door iemand van de kazerne met een vrachtwagen. Zo kwamen ze ’s avonds laat aan op de kazerne. Eigenlijk was hun aankomst niet voorzien want er was feitelijk geen plaats in de compagnie. Wel was er net een peloton met verlof. Ze werden dus naar een kamer gebracht: hier kunt ge slapen, die mannen zijn voorlopig met verlof en als die terugkomen zullen we wel zien. Boven opa’s bed hing een kastje en daar stond op “Dirkx Theo”. Opa dacht bij zichzelf: dat kon wel eens ene van Eisden zijn. En inderdaad toen hij terugkwam van verlof bleek het om een jongen uit de Populierenstraat te gaan, die woonde een beetje verder dan tant Nel.

Op de kamer in Spich, 4 augustus 1957, met links Jaak Stevens uit Stokkem.

Toen dat hele peloton terug was van verlof stelde opa vast dat in de compagnie waarin hij was ingedeeld (B-compagnie) veel mannen uit het Maasland zaten! Eén van de officieren, een luitenant, was van Molenbeersel. De sergeant-majoor was van Opgrimbie. De wapenmaker was van Eisden-cité. Er was nog ene van Rotem, Eerste Chef Willems (sergeant-majoor), die had later café op het kruispunt (tegenover de Welkom). Er waren ook nog miliciens van Stokkem – Jaak Stevens – en eentje van Maaseik. Zo was er een heel gezelschap van Maaslanders. Ze hebben het daar dikwijls heel gezellig gemaakt onder elkaar!

Cyclisten zonder fiets

Opa was ingedeeld in een bataljon cyclisten. Geen enkele cyclist had een fiets, op eentje na. Dat was een profrenner uit West-Vlaanderen, Teirlinck heette die, die had zijn eigen koersfiets mee genomen. Maar voor de rest waren ze cyclisten zonder fiets! Dus wat deden ze daar al die maanden? Ze hadden daar een eigen voertuigenpark, dat waren half-tracks (vooraan wielen, achter rupsbanden). Die hadden de tweede wereldoorlog nog meegemaakt – we spreken 1957. Meer dan 10 jaar na de oorlog dus, maar die voertuigen bolden nog en werden goed onderhouden want ze moesten elke maand het veld in.

Spich 1st Bn. Carabiniers Wielrijders – zonder rijwiel welteverstaan.

Elke maand hadden ze afwisselend een week veldoefeningen, een week onderhoud van de voertuigen en een week onderricht en drill. Dat ging zo sinds jaar en dag. Elke maand gingen ze dus minstens een week het veld in met die voertuigen. Na de eerste avond waren ze dan op de kazerne al aan het wachten: wanneer komt de eerste terug? Want gewoonlijk hielden die half-tracks het geen ganse week vol in het veld, die waren totaal versleten! Als ze binnen kwamen werden ze weer opgeknapt: helemaal afgespoten, “gemazouteerd” (volledig met mazout ingewreven), de motoren werden nagekeken en de volgende maand gingen ze weer terug het veld in. En na een paar dagen kwamen ze dan één voor één weer terug naar de garage.

In het midden op de foto blok A in Standort Spich waar de cyclisten gelegerd waren, jaren ’50.

Opa kon lezen en schrijven, dus hij was de geknipte man op het bureau in die garage. Formulieren bijhouden, de marsorders en dergelijke. Hij is wel dikwijls mee geweest op die oefeningen, maar dan voor de lol. Wat hij ook deed was elke dag soep halen in de kantine. Ze hadden dat zelf georganiseerd – met toestemming van de chef – om elke dag in de voormiddag soeppauze te houden. Dan roosterden ze brood op de kachel en hielden ze gezellig samen pauze. Zo moest er ook iemand vanuit de compagnie elke dag de maaltijd keuren in de kantine. Daar lag een boek waarin elke keer iemand van de compagnie zijn mening moest geven over de maaltijd. Opa was daar voor aangeduid en heeft dat heel lang moeten doen.

In de kantine 20 november 1957. Hubert voorlaatste.

Op een bepaald moment stond hij in de kantine om soep te gaan halen, kwam toevallig de commandant van hun compagnie binnen. Dat was majoor Cauchel, een Waal. “Ah,” zegt die. “Wat doet gij hier?” Opa legt uit dat hij soep komt halen voor zijn compagnie in de garage. De commandant had juist een emmertje visvoer gehaald in de kantine, die ging graag vissen in zijn vrije uren. Opa kreeg dat in handen gedrukt van hem met het verzoek “Brengt dat efkes naar mijne bureau, en zeg tegen de chef dat hij daar met zijn poten van af blijft”. Die chef dat was Thomassen van Opgrimbie, die was CSM (compagnie sergeant-majoor). De CSM was de hoogste onderofficier van de compagnie, die moest het huishouden van de compagnie op orde houden. Dus opa doet wat hem gezegd is en zegt tegen de CSM: “De commandant heeft gezegd dat ge daar met uw poten van af moet blijven”.

Postkaart van het Belgische Leger: 81 mm mortier in volle actie, 1961.

Maar van dat visvoer heeft opa toch geen commentaar meer gehoord. Hij kende zelf de commandant ook wel, en de CSM wist dat. Als ze op manoeuvres gingen dan moest hij dikwijls met de commandant mee om zijn anti-tankwapen te dragen. Als je dan “getroffen” werd kreeg je ofwel een rode ofwel een witte armband om. Opa is zo heel dikwijls met de commandant mee gelopen op het veld, met die “kachelbuis” op de nek. Maar eigenlijk is hij daar in Spich dus met zijn neus in de boter gevallen.
Ze gingen wel elke maand op manoeuvres (“veldoefeningen”), en hebben ook een aantal keer grote manoeuvres moeten doen. Dan gingen ze op bivak, in Vogelsang zijn ze een paar maanden geweest van hartje winter tot het begin van de lente. In Lüdenscheid zijn ze ook een aantal keer geweest, en in België in Elsenborn. Toen is hun verteld dat ze normaal gezien nooit terug zouden worden opgeroepen omdat ze meer dan voldoende grote manoeuvres hadden meegemaakt. En dat is in opa zijn geval ook nooit gebeurd.

Op oefening Spich 8 oktober 1957.

Elsenborn kende opa wel een beetje, ze waren daar met de Chiro ook wel eens in de buurt op kamp geweest. Tijdens de manoeuvres in Elsenborn moesten ze elke dag naar buiten, het terrein op. Opa had een MOS-nummer van “loper”. Het MOS-nummer stond eigenlijk voor je officiële functie binnen het leger, en opa was officieel radiografist. Hij had nooit een radio gezien, behalve op manoeuvres. Dan kreeg hij zo’n kast in handen en daar moest hij mee het veld in. Zijn luitenant was van Hasselt. Ze moesten dan in het veld een putje graven en daar bleven ze dan de hele dag “in dekking” als het ware. Ze luisterden dan veel naar radio Luxemburg, die konden ze ontvangen! Op radio Luxemburg werd populaire muziek gedraaid, Duitse schlagers (van het genre van Sag Warum en dergelijke.)

Oefening Kamp Vogelsang voorjaar 1958.

Als sluitstuk van die manoeuvres is koning Boudewijn op bezoek gekomen en daar moesten ze dan voor paraderen, een defilé met voertuigen. Hij was toen nog maar pas koning, opa herinnert zich dat de koning daar als jonge vent stond met een beetje een zuur gezicht. Hij was in elk geval nog niet getrouwd. Het regende die dag dat het zeikte.

Koning Boudewijn, foto door R. Marchand

Flauwekul uithalen

Met die Maaslanders onder elkaar maakten ze het zich wel heel gezellig. Ze kwamen altijd samen op 1 van de grootste kamers, daar lag Jaak Stevens van Stokkem. Op zondag namiddag kwamen ze daar ook altijd bij elkaar. Ze hadden houten krukjes, een strijkijzer en een gamel, en daar barbecueden ze mee. Dat strijkijzer werd ondersteboven tussen twee krukjes geklemd, en dan met de gamel er op, daar werd een ei in gebakken of een stuk worst of zo.

In het leger werd veel gedronken, vooral ook in Duitsland, want de drank kostte daar bijna niets. In de kantine kon je je voor een habbekrats vol laten lopen. Maar opa heeft daar zelf nooit veel aan meegedaan. Hij deed heel dikwijls met de officier van wacht, die luitenant van Hasselt, de wacht in de nacht. Degenen die een uitgaansvergunning hadden moesten dan ’s avonds bij terugkeer tekenen bij de wachtpost. Hoe dikwijls dat ze bij de een of de ander de hand moesten vasthouden om te tekenen, die keren zijn niet te tellen…

In de kantine in Spich, 20 november 1957.

Op een bepaald moment werd er een kerstspel opgevoerd, en opa was door een gast van Bilzen opgestookt om mee te doen, die zat in de regie. Uiteindelijk haakte iedereen af en bleef hij nog als enige over, en heeft hij er maar een kerstmonoloog van gemaakt. Die hele kantine zat vol en hij stond daar als enige van voor! Maar dat was allemaal maar flauwekul.

Die tekst heeft opa lang bewaard, maar hij heeft hem niet meer. Dat ging over de geboorte van Christus. Hij speelde een monnik die ergens een kindje in een stal ontmoette. Dat stuk was geschreven door die man van Bilzen. Dat duurde ongeveer een half uurtje, en hij moest dan die tekst natuurlijk volledig van buiten leren. Maar hij was dat wel gewend van bij de Chiro, daar was dat dagelijkse kost.

Er werden in die tijd ook avonden georganiseerd, geen cabaret maar toch soort van. Dan kwam bijvoorbeeld Willem de Meyer om samen liedjes te zingen. Of de aalmoezenier, een hele bekende naam, die ging alle kazernes in Duitsland af. En bij de nachtmis in de kapel van de kazerne heeft Jacky Ubachs nog viool gespeeld.

Franstalige Belgische miliciens 6 juli 1958 in de kantien van de kazerne van Spich.

Het was wel een fijne tijd. Ze konden heel goedkoop sigaretten kopen met hun bezettingsgeld. Opa rookte toen weinig, dus die sigaretten werden verkocht aan de plaatselijke Duitsers. Als ze uit de kazerne kwamen lag er aan de linkerkant de Wahner Heide, een berucht oefenterrein van het leger. Er waren daar in Spich eigenlijk drie kazernes: eentje met de cyclisten waar opa bij zat, eentje met Walen die de artillerie vormden, en eentje met de “varkens” (Ardense jagers). Voor die drie kazernes was een aparte kerk/kapel gebouwd en een cultureel centrum met een cinema enzovoort. Iets verderop stonden wat kleine houten barakjes waar Duitsers een kleine bar open hielden. Daar werd heel veel ’s avonds naartoe gegaan. Aan de andere kant van het terrein lagen oude bunkers nog uit de oorlog, en daar woonden ook Duitsers in. Aan die mensen werden sigaretten verkocht voor 1 Duitse Mark per pakje. De soldaten konden die zelf kopen aan 1 of 2 Belgische Frank. Dat was grove winst, want 1 Mark was toen ook al ongeveer 18 Frank. Eigenlijk was het een triestige bedoening, die mensen woonden daar uit noodzaak. Het was omgeving Keulen, daar was veel plat gebombardeerd in de oorlog.

Dat doorverkopen was eigenlijk verboden, dus die sigaretten werden verstopt in de “battle dress”. Die was nogal breed boven de gordel, dus aan de binnenkant werd dat vol met pakjes sigaretten gestopt. Als je die mannen het terrein af zag lopen waren dat allemaal “flinke kerels” en als ze terug kwamen waren ze allemaal een stuk slanker!

Er moest ook elke morgen aan sport gedaan worden. Ze moesten dan rond de hele kazerne lopen, rond de omheining, dat was een paar kilometer. Van de officieren, de sergeanten en luitenanten, was niemand te zien dus hebben ze op een bepaald moment een gat gemaakt in de omheining aan de achterkant en zo konden ze een stuk overslaan (en dan doen alsof ze volledig buiten adem waren bij aankomst).

Belgische maneuvers op de Wahner Heide.

Jacky Ubachs

Sergeant RP (“erpie”) Jacky Ubachs van Stokkem was toen al bekend als violist, solist. Hij werkte bij de opera van Luik en was bevriend in de kringen van Eugène Ysaÿe, hij was zogezegd aan het oefenen voor de Koningin Elisabethwedstrijd. Die was heel weinig te zien in de kazerne, alleen ’s morgens bij de vlaggengroet en bij bepaalde gelegenheden, als de kolonel binnen kwam bijvoorbeeld. Maar verder zag je die niet. Hij was ofwel op tournee, concerten geven, ofwel aan het oefenen.

Jacky Ubachs was dus bij hun op de kazerne sergeant “erpie” (RP = regimentspolitie). Dat waren de mannen met de witte handschoenen aan. Hij was ook verantwoordelijk voor de klaroenen. Als ’s morgens aan de poort (de kolonel binnenkwam dan moest er een bepaalde sonnerie geblazen worden. De soldaten zegden dan op de maat van dat deuntje “de kolonel moet schijten”. Maar er waren verschillende sonneries. Als je straf had, moest je die gaan afhalen bij de poort. Dat werd “koeken halen” genoemd. Dan werd een ander deuntje geblazen.

Jacky Ubachs had een paar van die mannen die klaroen speelden, en hij moest die ook opleiden. Daar was een gast bij uit West-Vlaanderen, eigenlijk een onnozel boerke. Maar die had wat men noemde “een goeie ammezuur”, wat wil zeggen dat hij goed kon toeteren. Helaas kon hij de verschillende sonneries niet uit elkaar houden! Jacky Ubachs stond dan klaar bij de poort met zijn klaroenen en zei dan “nog efkes oefenen” en dan werden de verschillende deuntjes geblazen. Maar toen de kolonel aankwam begon die onnozelaar “kom de koeken halen” te toeteren! Jacky Ubachs kreeg een kop zo rood van kwaadheid.

Ooit het paradeplein van de kazerne van Spich (foto Harvey, 2005).

Op het ereplein daar was ’s morgens de vlaggengroet in grote formatie. Voor de vlag gehesen werd moest appèl gehouden worden. De RSM – regiments sergeant majoor – leidde dat. In opa’s regiment was dat de eerste adjudant, dat was een heel stijf manneke. Het appèl was bezig, maar de kolonel was nog niet daar. Plots loopt er een kat over dat plein. Jacky Ubachs en zijn mannen stonden natuurlijk klaar om te blazen als de kolonel aan kwam. Toen die kat daar liep, riep de RSM: “sergeant RP, pak de kat!” Hilariteit. En Jacky Ubachs marcheerde met zijn stick onder zijn arm over dat plein achter die kat aan. Iedereen stierf van het lachen, maar ze mochten niet hardop lachen natuurlijk. Die kat hoorde overigens thuis op de kazerne, dus die ging niet hard lopen.

In de kantine van Spich 20 november 1957.

Het is deze Jacky Ubachs die later de muziekschool in Lanklaar zou oprichten en die daar gerenommeerde leerkrachten zou aantrekken, zoals het duo Crommelynck. De lessen vonden meestal plaats op een grote vleugel in de voormalige trouwzaal van het gemeentehuis, de ene keer door Patrick Crommelynck, de andere keer door Taeko Kuwata. Het was een hele sensatie als zij haar slanke vingers op de jouwe legde om de toetsen te beroeren. Ondanks deze genietingen zag Bartje na enkele jaren pianoles in dat hij geen nieuwe Maurizio Pollini zou worden, en schakelde hij over op klarinet, het vakdomein van mijnheer Ubachs zelf. Het zal waarschijnlijk daar niet aan gelegen hebben, maar met het Duo Crommelynck is het niet goed afgelopen. Lag het aan de veelvuldige afwezigheden van de leerkracht of aan Bartjes onverdienstelijke pogingen het rietje van de klarinet droog te houden bij het toeteren, de klarinetlessen waren geen succes en alle pogingen om de nieuwe Walter Boeykens te worden werden na één schooljaar afgeblazen. Een blessing in disguise, want daarmee lag de weg vrij voor een inschrijving aan de toen pas opgerichte tekenacademie van Maaseik, bij de flamboyante Jan Peeters.

De kazerne van Spich werd in 2002 door de Belgische Strijdkrachten terug overgedragen aan de Duitse Regering. In 2005 lagen de gebouwen er zo bij (foto Harvey), vervolgens werden ze afgebroken om plaats te maken voor een industrieterrein.

Keulen

In 1957-1958 heerste de Aziatische griep, daar hebben ze toen ook een veeg van mee gekregen. Opa heeft toen ook een paar dagen op de infirmerie gelegen, kan hij zich herinneren. Dat is ook de enige keer dat hij griep heeft gehad, toen in het leger.

Op een keer had opa in het leger ook last van tandpijn. Op de infirmerie hadden ze geen tandarts, dus moest hij naar het ziekenhuis in Keulen. Hij kon ’s morgens met een camionneur mee rijden die in Keulen moest zijn, en voor de terugweg moest hij dan zorgen op een bepaald punt te staan, dan zou die camionneur hem ook weer oppikken. Om op dat punt te komen moest hij de tram nemen. Maar hij had geen Duitse Marken, alleen bezettingsgeld. Op de kazerne konden ze dat in de kantine of in de winkel gebruiken, maar in de rest van het land konden ze daar niks mee doen. Opa had daar totaal niet aan gedacht en stapt dus in Keulen op de tram. Toen de conducteur kwam was het natuurlijk ambras! Maar hij heeft hem dan uiteindelijk toch laten gaan, en opa is toch nog op de kazerne geraakt.

Postkaart met de nieuwe Deutzer brug over de Rijn in Keulen, 1954.

Ze hebben ook een keer een oefening gedaan in Keulen zelf, met een aantal mensen van de compagnie. Ze hebben toen hun tentenkamp opgeslagen aan de oevers van de Rijn in Keulen, daar sliepen ze. De opdracht was een militair benzinedepot evacueren. Het was zogezegd oorlog, dus dat depot moest leeg gehaald worden en de inhoud moest over de Rijn naar de overkant getransporteerd worden. De bruggen waren “opgeblazen”, dus dat moest per schip gebeuren. Die camions met jerrycans en vaten van 60 liter reden door Keulen, kwamen aan de Rijn, de vaten werden op een schip geladen, aan de overkant weer uitgeladen en met de camion weer over de brug terug naar het depot gereden – dat was de oefening. Een aantal mensen van de compagnie van opa moest dat konvooi in de gaten houden en tellen wat er in- en uitgescheept werd. Opa moest met zijn rug tegen het grastalud aan de oever van de Rijn zitten, daaronder lagen Belgische binnenschepen uit Antwerpen. Hij moest dan turven hoeveel vaten van 60 liter, hoeveel jerrycans, enz. Dat was de hele dag niks dan turven. Maar wat zij telden wat er ingescheept werd, was al verschillend van wat er was ingeladen! Onderweg was al een deel verkocht. Wat er terug binnen kwam was nog weer een heel stuk minder! Dat was een poppenkast van jewelste. Die tekorten werden vastgesteld, en daar werd onderzoek naar gedaan, maar ja: waar is het gebleven? Veel Duitsers zullen daar plezier van gehad hebben… Diegenen die zaten te tellen zaten natuurlijk lekker in het zonnetje, dus die vielen ook al eens in slaap.

Keulen in de jaren ’50.

’s Avonds moesten ze in het tentenkamp blijven, ze hadden uitgaansverbod dus mochten de stad niet in. Maar ze hadden wel blauwe overalls. Als ze dan toch naar buiten gingen, trokken ze die overall aan en gingen ze zo de stad in. Het gebeurde al wel dat ze in de stad een sergeant of een luitenant troffen, ook in blauwe overall! Dat werd natuurlijk allemaal binnenskamers gehouden… Zo hebben ze heel wat mooie dingen beleefd.

Expo ’58

Opa Hubert zwaaide eind augustus 1958 af uit het leger, en zo kon hij nog net voor hij begon les te geven de Expo ’58 (17 april tot 19 oktober) in Brussel op de Heizel bezoeken. Hij trok daar naartoe met zijn nicht Marie Smrke, dat moet hoogstwaarschijnlijk met de trein zijn geweest. Veel herinnert hij er zich niet van. Het was een drukte van jewelste en ze hebben enkele paviljoenen bezocht, waaronder dat van Congo, waar een heus afrikaans dorp was nagebouwd. Het was ook de eerste keer dat hij het expo-ijsje zag, het befaamde driekleurige rechthoekige ijsje tussen twee wafeltjes, dat tot lang in de jaren ’70 populair zou blijven. Hij besefte het toen allicht niet, maar deze uitstap was een scharnierpunt in zijn leven. Zijn vormingsjaren en zijn legerdienst lagen achter hem, de mem was in mei overleden en hij startte in september als onderwijzer aan het wijkschooltje van de zusters op de Boudewijnlaan in Eisden, waar een zekere Odilia Meyers kleuterleidster was… de toekomst lachtte hem toe!

Uitsmijter