Oudste herinneringen

Op een of andere manier zijn de oudste herinneringen van opa heel duister. Korte tijd voor de oorlog uitbrak, moest het gezin Ramakers-Knippenberg evacueren omdat het leger net als de Maasbruggen de brug over het kanaal ging opblazen, waar zij vlak naast woonden. Dat maneuver moest de Duitse invasie tegenhouden of bemoeilijken. Toen zijn ze een paar dagen bij een zus van de mem (tant Nel, Petronella Dedroog) in de Populierenstraat gaan schuilen. Vader pépé was daar niet bij, want die was gemobiliseerd. Opa herinnert zich niet zozeer de ontploffing, maar de sfeer van angst en hoe zij op de stoep voor het huis met een pakje stonden te wachten tot ze allemaal samen waren en naar tant Nel konden vertrekken.

Waarschijnlijk de enige herinnering aan de dynamitering van de Eisdense brug waarnaast de familie Ramakers woonde, in de vroege ochtend van 10 mei 1940 gefotografeerd door architect August Corthouts vanuit het raam van zijn woning in de Tuinwijk.

Verder is er nog een herinnering van opa uit de kleuterschool. In de klas van zuster Michea heeft hij een “zonsverduistering” meegemaakt. Hij zat met zijn hoofd tussen haar knieën. Waarom weet hij niet meer, of hij billenkoek kreeg of in z’n broek gekakt had, geen idee, maar donker was het alleszins.

De Populierenstraat met rechts het huis van tant Nel. Op de achtergrond de Kerkhofstraat met de passerelle van de tram (die daar van de brug aan de steenkoolmijn naar de Rijksweg liep).

Op een ochtend, niet lang na die 10de mei waarop ’s ochtends de brug over het kanaal was opgeblazen, stonden de Ramakersen ’s morgens op, en tot hun verbazing hing de binnenkant van de poort van de schuur helemaal vol met geweren. De Duitsers waren binnengevallen en hadden hun intrek genomen in het hooi van de schuur. Het was mei, het hooi was vers, dus zowat alle soldaten waren wat aan het snuffen en snotteren van de hooikoorts. Ze hadden haken of spijkers in de poort geslagen en daar hun geweren aan gehangen. Later sliepen de officieren in winterkamer, daar hadden ze ook stro op de grond uitgespreid en daar sliepen ze op. Dat moet ergens in de maanden na mei 1940 zijn geweest. Op de bodem van die kleerkast werden appels bewaard. Had hij honger? Of had hij gewoon goesting in iets lekkers? Op een avond is opa als kleine jongen op zijn tenen naar die kleerkast geslopen om een appel te pakken. Hij had flinke schrik want wat als een van die soldaten wakker zou worden?

Voor de kinderen hield de oorlog vooral in dat ze veel minder vrijheid hadden. Pépé was krijgsgevangen in Duitsland. Van later in de oorlog weet opa vooral nog dat ze moesten schuilen in de kelder als de bombardementen kwamen. In de wei achter de shop, de wei met de fruitbomen, was er een schuilkelder gegraven. Maar die is door de Ramakersen nooit gebruikt, opa kan zich dat niet herinneren. Mensen probeerden toen vanalles uit, ook omdat ze niet wisten wat ze moesten verwachten. Schuilen deden ze in de kelder onder het voorhuis, de vloer was daar van beton.

Voor de bevrijding lagen de Duitsers ingegraven in de kanaaloevers aan de kant van het dorp, in van die schuttersputjes. Aan de andere kant van het kanaal lag het Engels leger. Er is daar hevig gevochten rond het kanaal. Op bepaalde momenten kwamen de Engelse jachtvliegtuigen aangevlogen. Ze volgden het kanaal en schoten hun mitrailleurs leeg op de Duitse schuttersputjes. Als kinderen gingen ze dan boven op zolder kijken naar “het vuurwerk”. Hoe ze dat gedaan hebben weet opa niet meer, of ze toen ontsnapt zijn vanuit de kelder?

Een tank bij de bevrijding van Eisden-Cité, 16 september 1944.

Aan de overkant van het kanaal lag de bakkerij van De Welvaart (een christelijke organisatie – het ACW – die verschillende soorten winkels hadden, o.a. dus een bakkerij). Daar is toen een bom ingeslagen waardoor de bakkerij is afgebrand, als kinderen hebben ze daar ook naar staan kijken vanaf de zolder. Maar de Pauwengraaf was dus eerder bevrijd dan Eisden-dorp. Het duurde nog enkele dagen en er waren nog schermutselingen voor de Amerikanen het kanaal overstaken: de tanks – amfibievoertuigen – van de geallieerden kwamen door het kanaal gereden/gevaren. Tegen de oever hadden ze taluds gebouwd en zo reden ze het dorp in. Meer over deze operaties kan je in detail nalezen in het boek “De Bevrijding van het Limburgse Maasland” van vzw Stichting Erfgoed Eisden. Het bevrijdingsfeest was een groot feest.

Bevrijding in Eisden-Dorp, 18 september 1944:
oud en jong rond de tanks van Task Force Stokes. Opa herkent in de mevrouw rechts Anna Dedroog, de moeder van juffrouw Betje, in 1941 weduwe geworden.

Opa herinnert zich nog dat die tank door de Dorpsstraat reed, over de kasseien, en stilstond bij buurman slager Dexters voor de deur. En dat er toen een groot welkomstfeest was voor de bevrijders. Tegenover het ouderlijk huis hebben de geallieerden later een munitie- en brandstofdepot ingericht, in de stallingen die aan de linkerkant van “de kuil” lagen. Na de oorlog, toen ze vertrokken waren, lag het daar vol lege jerrycans. De kinderen speelden daar dan mee, door een “zwegelke” (lucifer) in zo’n jerrycan te gooien en dan ontplofte die. Zo heeft iemand in Leut zijn hele gezicht verbrand.

Bevrijding in Eisden-Dorp, 18 september 1944.

In de tijd van de bombardementen op Antwerpen, eind 1944, vlogen de V1 en V2’s over boven het dorp, dat was een geweldig brom concert. Ze vlogen op Antwerpen, maar ook naar het kamp van Leopoldsburg. Die bominslagen konden ze in Eisden horen. Als de vliegende bommen overkwamen stond iedereen op straat naar boven te kijken en te luisteren naar al dat lawaai. Die konden ze van ver horen aankomen. Bart vertelt: in Antwerpen stonden ze ook buiten, maar daar sloegen vervolgens de bommen in. Hij heeft zo Panamarenko eens horen vertellen dat die gefascineerd met zijn moeder buiten stond te kijken en luisteren. Die V2’s maakten een typisch bromgeluid “protprotprot”. En iedereen wist: als ze dat geluid niet meer hoorden, was het foute boel, want dan was de brandstof op en viel de bom naar beneden. De hoeveelheid brandstof was zo berekend dat die bommen boven hun einddoel zonder vielen en neerstortten. Dirk en opa zijn in Noord-Frankrijk eens gaan kijken naar de lanceerbasis van de V2’s die op Engeland afgevuurd werden, dat was de moeite waard.

Het Vrijthof, met rechts het geboortehuis van burgemeester Ramakers / annex postkantoor, en achteraan rechts de oude zusterschool. Links de kermiswagen die je ook op de pagina over het dorpsleven vindt.

Schooljaren

Opa is tijdens de oorlog naar het eerste studiejaar gegaan. De kleuterschool was in de zusterschool in de Dorpsstraat. Dat was een vrije (katholieke) school, in tegenstelling tot de (liberale) gemeenteschool. Daar weet hij alleen nog dat hij bij zuster Michea in de klas heeft gezeten en tussen haar knieën is beland (zie bovenaan deze pagina). In de tijd dat oma en opa naar de kleuterschool gingen leerden ze bijvoorbeeld weven. Weefmatjes maken, breien op een houten plankje met nageltjes, punniken met een paddenstoeltje. Dat soort werkjes namen ze dan mee naar huis om af te maken. Opa weet nog van de lagere school dat ze een sjaal gebreid hadden. Hij had blauw garen en had een flink stuk sjaal gemaakt, maar dat was goed los en daar waaide de wind flink door. Bij thuiskomst heeft hij hem aan de petere gegeven, en in zijn kinderlijke herinneringen heeft hij die nog lang gedragen.

Omdat de school tijdens de oorlog door de Duitsers was bezet, kregen de kinderen van het eerste leerjaar toen les bij juffrouw Betje in een klein huisje naast haar eigen huis.

Eisden Langstraat ca 1920, met links het huis van juffrouw Betje.
Daarlangs loopt nu de Inkomstraat naar de Rijksweg.

Daar leerden ze schrijven met de ballonpen. Andere leerjaren kregen dan weer les bij andere mensen thuis. In het geïmproviseerde klaslokaal bij juffrouw Betje waren schoolbanken geïnstalleerd. Opa zat naast de schouw, maar daar stond geen kachel meer in. Het gat waar de kachelbuis normaal in moest komen was dicht gemaakt met papier en daar was overheen behangen. Opa heeft dat toen als jonge vlegel open gepeuterd en er met zijn handen in gezeten. Toen ze begonnen in het eerste studiejaar leerden ze de oude spelling, en nog tijdens de oorlog moesten ze in 1943 overschakelen op de nieuwe spelling. De Boschstraat werd Bosstraat, dus er kwamen allemaal nieuwe boeken.

Het tweede leerjaar bij juffrouw Dexters in de zustersschool, 1944.
Opa is de voorlaatste op de eerste rij. De achtste op de tweede rij is Leon Ramakers, een afstammeling van Lex Ramakers (zie: een Eisdense jeugd). De achtste op de rij daarboven is zijn zus Theodorine.

Schooluitstap

Op de zusterschool werd ieder jaar de directrice gevierd, zuster Eduarda. Die dag begon dan met een huldiging, en daarbij werd steevast volgend liedje gezongen door de leerlingen:

Wij danken voor de lieve zorgen
Waarmee ons volkje wordt omringd
Daar zal het liedje van getuigen
Dat vrolijk uit ons hartje klinkt

refrein:
Het liedje trouw in weemoed en jolijt
Het liedje van de dankbaarheid
(2x)

Wij danken voor de lieve zorgen
Waarmee ons volkje wordt omringd
Daar zal het bloempje van getuigen
Dat …

Hoe dat tweede couplet eindigde, daar hebben we het raden naar, maar vast staat dat na de herhaling van het refrein een derde couplet volgde, waarbij het “bloempje” vervangen werd door een “gebedje”

Opa herinnert zich dat liedje heel goed omdat hij het meer dan tien jaar later tijdens zijn stage aan de zusterschool ook nog eens moest instuderen met zijn leerlingen, nog altijd ter ere van dezelfde zuster Eduarda.

Het kasteel Vilain XIIII, reproductie van een lithografie uit 1845.

Na de huldiging van de zuster directrice volgde dan de jaarlijkse schooluitstap, die steevast naar het kasteel van Vilain XIIII in Leut voerde, destijds al omgevormd tot een ziekenhuis waar vooral mijnwerkers werden verzorgd. Veel mensen uit Leut en Eisden zijn daar ook geboren of gestorven, dat laatste was onder meer met tant Marie het geval. Van het Vrijthof in Eisden tot het kasteel was het een wandeling van zowat drie kwartier met de hele lagere school, via de Broekstraat waar opa ook ’s ochtends de koeien naartoe bracht, en dan aan de kerk van Leut via de kasteeldreef. Het kasteel zelf konden ze niet in natuurlijk, want dat was een ziekenhuis, maar er werd gepicknickt in het kasteelpark. Opa is vooral de ijskelder bijgebleven op het domein van het kasteel.

Ziekenhuis in Kasteel Vilain XIIII te Leut, “zaal der gekwetsten”.

Later, in 2005, heeft opa met Leader+ nog bijgedragen tot de herstelling van de kasseidreef naar het kasteel.

Opa haalt herinneringen op bij kasteel Vilain XIIII,
28 september 2021.

Zjang Dedroog en Frans Van Reempts

De scholen in Eisden waren politiek verdeeld. De gemeenteschool was ontstaan na de schoolstrijd in de jaren 1880, vanuit een blauw bewind. Meester Zjang Dedroog (petekind van de mem, schoonzoon van de koster Brouns, echtgenoot dus van Lena van de Köster en vader van Lieske Dedroog, de vrouw van No Sijbers) was gediplomeerd aan de katholieke Normaalschool van Sint-Truiden en kreeg geen aanstelling in de gemeenteschool. Dan is hij maar zelf een katholieke school begonnen, rivaliserend met de gemeenteschool.

De nieuwe gemeenteschool in ’t Veldje (nu: Onderwijsstraat),
gebouwd vanaf 1928, geopend in 1931 en in 2020 afgebroken.

In Eisden waren er de nodige gezinnen die (van ver of dichtbij) familie waren van meester Zjang. De ouders, ook de brave katholieken, konden al moeilijk hun kinderen naar de vrije school van de zusters sturen! Dus gingen de kinderen tot het vierde studiejaar naar de zustersschool en daarna gingen de jongens naar meester Zjang. Zo ook opa. Daar werd voor gewaarschuwd: “Pas maar op tot ge bij meester Zjang komt, dan zult ge wel luisteren”. Hij was heel erg streng. Meester Zjang was een neef van de mem, maar toch, helemaal gerust was opa er niet op.

Het tweede en derde leerjaar in 1925, met rechts Zjang Dedroog,
ruim twintig jaar voor hij opa Hubert onder handen nam.

Er waren in Eisden dus maar liefst drie scholen: de katholieke van de zusters, de blauwe van de gemeente, en de school van meester Zjang. Dat was natuurlijk niet houdbaar, en die laatste is uiteindelijk opgenomen in de gemeenteschool. De hoofdonderwijzer op de gemeenteschool, meester Frans Van Reempts, was een brave katholieke liberaal, die elke dag achteraan in de kerk zat op de stoel links op de laatste rij, met het missaal in zijn hand. Maar hij was er toch. Meester Zjang stond altijd boven op het doksaal te zingen, en opa ging hem daar als jonge snotaap regelmatig gezelschap houden. In de jaren ’50 heeft Zjang Dedroog Frans Vanreempts opgevolgd als schoolhoofd.

Links beneden Zjang Dedroog, voorlaatste rechtsboven Frans Van Reempts. Martinus Ramakers op deze foto is een oudere naamgenoot van onze Tinus.

Frans Van Reempts was net als Zjang Dedroog in 1895 geboren, en voelde zich al vroeg geroepen tot de letteren. Zo werkte hij nog voor de oorlog als corrector bij de Eendracht, de krant van de gebroeders Smeets in Maasmechelen. Tijdens de eerste dagen van de eerste wereldoorlog (zijn oudere broer deed legerdienst, dus hij ontsnapte daaraan, al had hij liever in de voetsporen van zijn broer getreden) fietste hij met enkele vrienden naar Visé en werd daar zelfs door de invallende Duitsers even vastgehouden. Hij kwam er met de schrik van af. Later schreef hij een lijvige patriottische kroniek over deze oorlog. Tijdens de oorlogsjaren leerde hij met zelfstudie voor onderwijzer, en zo verwierf hij een diploma, maar na de oorlog werden die diploma’s niet erkend, en zo moest hij nog eens examen afleggen. Na de oorlog werden ook meer zonen per gezin opgeroepen, en zo moest hij in 1920-21 alsnog 11 maanden legerdienst doen. Meester van Reempts ontpopte zich tot een echte gangmaker in het Eisdense verenigingsleven, en richtte met “den auwe” (burgemeester Antoon Ramakers) de fanfare op, maar ook een toneelkring, wielerclub “Eisden Pedaal”, de duivensociëteit en vissersclub “Het Loze Vissertje”, toneelclub “De Ster der Maasvallei” (die onder meer optrad in zaal Apollo naast ons voorouderlijk huis) … allemaal blauw natuurlijk.

Rik Van Reempts, zoon van hoofdonderwijzer Van Reempts van de Gemeenteschool, verdronk in de Maas één maand voor de bevrijding. De lijkwagen vertrekt bij het dodenhuisje onder het bordes van het oude gemeentehuis, tegenover de kerk. De tekst SS (of 44) Langemark op de klinkers heeft allicht iets te maken met de gelijknamige Vlaamse Waffen-SS – eenheid? Laten we niet vergeten dat Eisden in de tweede wereldoorlog bestuurd werd door oorlogsburgemeester en VNV-er Paul Lambrigts.

Lezen

In de gemeenteschool school hadden ze achter in de klas een kleine bibliotheek, opa heeft heel veel boeken verslonden in zijn jeugd. Veel auteurs van boeken die hij als kind gelezen heeft, weet hij niet meer. Het waren vooral de boeken van Karl May (Winnetou en Old Shatterhand) en ook Vlaamse boeken, bv. van Ernest Claes (De Witte van Sichem). En Conscience lazen ze veel, de Vlaamse klassiekers (De Leeuw van Vlaanderen, Baas Ganzendonk, enzovoort). Felix Timmermans ook, maar dat was al een beetje riskant. Claes was in het begin ook verboden, omdat de Witte in zijn blootje ging zwemmen. Maar opa ging naar de gemeenteschool, daar was dat al wat minder verboden.

Het vierde vijfde en zesde leerjaar in 1925 met meester Van Reempts, de hoofdonderwijzer van de gemeenteschool (meer dan twee decennia voor hij in de bibliotheek door Hubert geholpen werd).

Frans Van Reempts was niet alleen onderwijzer voor de vierde graad, maar ook bibliothecaris en hoofdonderwijzer. Opa heeft hem dikwijls geassisteerd, samen met een klasgenoot (André de Grande), om de bibliotheek na gebruik terug op orde te zetten. Meester Van Reempts was ongetwijfeld zo één van die figuren die het leven van opa mee richting hebben gegeven, niet door luidkeels meningen te verkondigen, als wel door heel overtuigend een voorbeeld te zijn. Meester Vanderhoven in Elen was later ook zo’n figuur. In alle geval, André en Hubert hebben toen de hele bibliotheek bijna uitgelezen, tenminste wat ze mee kregen. Wat ze niet mee kregen, wisten ze ook niet natuurlijk. Later heeft Bartje jarenlang op dezelfde manier meester Vanderhoven geassisteerd in diens bibliotheek in Elen.

“Vlaamse Filmpjes” bestonden toen ook al, dat werd ook veel gelezen. John Flanders en dergelijke. Opa vertelt dat ze ook “Alleen op de wereld” gelezen hebben, en meer dan een keer ook. Of bv. Robinson Crusoë. De grote klassiekers, die nu eigenlijk niemand meer leest. In Elen was dat ook, de hele achterwand van de klas van het zesde leerjaar waren kasten met boeken, in Eisden was dat hetzelfde.

Het was Frans Van Reempts die zag dat in opa een voorbeeldige onderwijzer school, en die hem klaarstoomde voor het ingangsexamen van de Normaalschool in Mechelen-aan-de-Maas. Dat was een zeer katholieke instelling, maar er was nu eenmaal geen blauw alternatief.

De Zustersschool, gebouwd 1938-1939. Opa ging hier naar school tot het vierde leerjaar. Ook oma is hier uit Opgrimbie naartoe gekomen voor ze naar de Normaalschool in Diest ging; tant Leonore heeft er bij de Kleine Zusters van de Heilige Jozef een tijd les gegeven in de jaren ’50, voor ze later zelf in die orde uit Heerlen intrad. En het is in een wijkafdeling van deze school in de toenmalige Boudewijnstraat (nu Bloemenstraat) dat opa en oma elkaar hebben leren kennen als kersverse leerkrachten.

Muziekschool

Bij opa begonnen al vroeg muzikale interesses te ontkiemen. Het heeft tot zijn pensioen geduurd voor hij zijn grote passie (vioolspelen) helemaal kon opnemen, maar eigenlijk is hij heel zijn leven met muziek bezig geweest: het jongenskoor in Elen, de harmonie, …

Opa Hubert met zijn geliefkoosde viool

In de buurt van de ouderlijke woning in Eisden, 100 meter terug het dorp in, zo ongeveer tegenover de notenboom, lag een winkel (of eigenlijk twee winkels) die ze “bij de Waal” noemden. Achter de rijwoningen lag een vaart en aan de linkerkant van die vaart lag vroeger de winkel van Verschelden, die later in Maasmechelen een winkel geopend heeft. Later heeft “de Waal” dat overgenomen. Daar werd vooral kleding verkocht. Aan de rechterkant lag nog een winkel van dezelfde uitbater, daar verkochten ze vooral groenten (dat was “de Walin”). Zij was Waals van geboorte en sprak gebroken Nederlands.

Fie van de Waal

Zij hadden een zoon Gabriël, ondertussen al overleden, die werd “Fie van de Waal” genoemd. Hij speelde viool en ging naar de muziekschool in de gebouwen bij het Casino, aansluitend bij de jongensschool op de Cité. Op een keer vroeg hij aan opa: “gaat ge niet mee?”. Het was midden in het schooljaar, maar opa ging toch maar eens mee. Hij liep met hem de klas in en ging naast hem in de bank zitten. Ze kregen notenleer, maar opa kende geen noot. De hele klas was toonladders aan het zingen (“do re mi fa sol” enz) maar opa kon dus niet mee doen. Opeens ging de deur open en kwam de directrice het lokaal binnen, mevrouw Vigneron-Ramakers. Zij ging eens overal haar oor te luisteren leggen. Toen ze naast opa kwam staan kwam er natuurlijk geen noot uit. Ze zei niets en liep gewoon door, maar daarna durfde opa niet meer naar de muziekschool gaan.

Mevrouw Josée Vigneron-Ramakers, tevens stichtster van de Muziekacademie op de Cité. Zij had de wat eigenaardige gewoonte om haar vlechten in een cirkel over haar oren te draaien, zodat zij voorzien was van een soort koptelefoon avant-la-lettre, wellicht om haar oren te beschermen tegen de kakafonie op de muziekschool?

Nog een paar 100 meter verder in het dorp, tegenover de Geeststraat, lag een winkel waar muziekspullen verkocht werden (snaren, mondharmonica’s en zo) maar ook visgerei. De eigenaar, René Jansen, was muziekleraar en speelde cello en gitaar. Hij gaf gitaarles in Hasselt in het Volkshuis en cellolessen in Eisden aan de muziekacademie. Opa kwam bij hem in de winkel om visgerief te kopen. Rond zijn elfde jaar kwam hij daar eens in de winkel toen meneer Jansen tegen hem zei: “jongen, ik heb gehoord dat ge naar de muziekschool zijt geweest”. Waarschijnlijk hadden de directrice of de leraar hem dat toch wel verteld. “Weet ge wat ge doet,” zei hij, “nu is het tijd, ga u inschrijven. En dan kunt ge in september naar de muziekschool.” En zo geschiedde.

Notenleer bij René Peeters. Opa had les in dezelfde lokalen, maar dan met de volwassenen.

Het typische is wel dat hij in een klas voor volwassenen terecht kwam, met onder andere Jef Jongen (van Leut). Die speelde in de harmonie van Leut, “de Vrolijke Jantjes”, en als hij naar de muziekschool ging fietste hij langs het ouderlijk huis van opa. Dan mocht hij met hem meerijden, en na de les bracht die man hem ook weer naar huis. René Peeters, orgelist van de Sint-Barbarakerk op de Cité gaf toen notenleer. Hij was een neef van Flor Peeters, de bekende organist. Zo heeft opa een aantal jaar muziekles gevolgd tot hij naar de Normaalschool ging.

Opa Hubert als dirigent van het jongenskoor “Were Di” bij de opening van de parochiezaal van Elen, 1964.

Opa weet nog van twee Sinterklaascadeautjes die hij ooit kreeg. Dat waren een mondharmonica en een houten pupiter. Die werd gemaakt bij de schrijnwerker in de buurt, bij “Zjang van de Boës”. Hij heeft die toen nog zelf mogen gaan halen voor zijn Sinterklaas. Dat was in de tijd dat hij vioolles kreeg. Maar dat was niet hetzelfde jaar dat hij de mondharmonica kreeg! Voor de rest kregen de kinderen met Sinterklaas waarschijnlijk wel wat snoep of zo. Dat was er altijd wel bij. Speculaas in elk geval, en wie weet ook wel mandarijntjes.

Opa Hubert met de mutualiteit in Grandvillard, Zwitserland, 1951.
Hij is de derde van rechts bovenaan, onder de vlag.