Odilia werd geboren op 14 juli 1939, om 13u nog wel, vermeldt het trouwboekje van papa Theo en mama Anna. Net als bij haar broers en zussen wordt als geboorteplaats Opgrimbie vermeld, dus allicht is ze net als hen thuis in de Kerkstraat geboren, nummer zes in de rij, met vier oudere zussen en één broer, twee jaar ouder. Haar tweede naam is Helena, een heel populaire naam in de familie Meyers, het was dan ook de naam van de zus van vader Theo, die meteen ook meter was van deze nieuwe loot aan de stamboom. Ook haar tweede oudste zus heette Helena – al weten weinig mensen dat, want iedereen noemde haar Leny.

Zochten Anna en Theo voor sommige kindernamen niet ver in de stamboom (Helena, Annie, Theo…), voor andere hebben we het raden naar de inspiratie (Sylvia, Rudolf…). Odilia is heden ten dage een heel ongebruikelijke naam, maar in de jaren ’30-’40 kwam hij regelmatig voor. Misschien hebben Anna en Theo een beetje gebladerd in de kalender (daar stonden vroeger altijd de kalenderheiligen vermeld), en kwamen ze zo uit bij de Heilige Odilia van Keulen (18 juli), een 8ste eeuwse martelares. Of misschien, vroomkatholiek als ze waren, hadden ze wel een boontje voor diezelfde Heilige Odilia, die onder meer in Godsheide vereerd wordt, waar men relikwieën van haar bewaart die ieder jaar op haar naamdag in processie rondgedragen worden. Of wie weet kenden ze de naam van Sint-Odiliënberg, vlak over de grens in Nederlands-Limburg.

Mannetjes op de muur

Oma Odilia was in haar jonge jaren naar eigen zeggen bedeesd en verlegen, maar ze herinnert zich niet echt dat ze vroeger bang was voor bepaalde dingen. Wel weet ze nog dat ze eens ziek is geweest en in de slaapkamer zag ze allemaal mannetjes op de muur dansen als het licht uit was. Dat was bloemetjesbehang en dat danste haar voor de ogen. Als iemand dan boven kwam en het licht aan deed, dan was dat effect weg en vroeg ze zich af wat ze nu eigenlijk gezien had. Opa meent dat dat het effect van koorts is geweest. Maar echt bang voor dingen, dat weet ze niet meer. Op een of andere manier moet Odilia voorbestemd zijn geweest om in het onderwijs te gaan, want zowat al haar herinneringen hebben met de school te maken.

Opgrimbie, klooster en school van de zusters Dochters der Wijsheid (Montfortanen).

Schoonschrift

In het eerste studiejaar kregen de kinderen schoonschrift, ze moesten leren om netjes tussen de lijntjes te schrijven met pen en inkt. Oma had iets fout gedaan en kreeg van de juffrouw een slag met de houten regel (lat) op haar knokkels. Dat deed pijn, dus ze begon te wenen. Zo’n traan viel op haar blad maar dat had ze niet gezien, dus toen ze voorzichtig weer begon te schrijven zat er een vlek op het blad. En dus toen de juffrouw terug kwam, weer opnieuw een pets op de knokkels natuurlijk.

Communie Odilia, 11 maart 1951.

De wind

Nog een anekdote uit het vijfde studiejaar. Zuster Lucie had wel controle over haar klas, dat liep allemaal vrij gesmeerd, ondanks het feit dat het een dubbele klas was, het vijfde studiejaar (waar oma in zat) zat achteraan in het lokaal en de zesdejaars zaten vooraan. Op een dag waren de zesdejaars volop aan het giechelen geslagen terwijl de zuster iets op het bord aan het schrijven was. Toen ze zich omdraaide, wilde ze per sé weten waarom de kinderen zo aan het giechelen waren, ze dacht waarschijnlijk dat het om haar zelf ging. Niemand durfde iets zeggen. Maar de zuster hield vol en moest het weten. Iedereen moest blijven zitten en wachten tot opgebiecht werd waarom er gelachen was, hoewel het middaguur was en iedereen dan ook nog eens te voet naar huis moest en weer terug. Dus op den duur moest de zuster de kinderen laten gaan, maar als ze terugkwamen moesten en zouden ze vertellen waarom er zo gegiecheld was. En de clou van het verhaal bleek dat iemand een wind had gelaten. Degene die die wind gelaten had, had thuis gevraagd hoe ze dat aan de zuster moesten vertellen, dat er “enen drieët gelate” was. Zoiets durfden ze dus vroeger niet in de klas vertellen aan de zuster!

De klas van Odilia, 1948. Oma staat als derde laatste achteraan.

Sokken stoppen

Oma Odilia was altijd heel voorbeeldig, maar de zuster Gerarda had de klas in het zesde studiejaar niet echt onder controle. Ze kon dan op bepaalde momenten heel erg uitvliegen, riep dan “duivels” en meer van dat. Op een namiddag moesten de kinderen sokken stoppen. De zuster sneed dan een stukje uit de hiel van de sok. Toen oma aan de beurt was met haar sok schoot de zuster wat uit (de kinderen waren lastig) en werd het een vrij groot gat. En de zuster zei toen “da’s niks, ik zal u wel helpen”. Maar om zo’n gat te stoppen werd de sok over een potje of zo getrokken, en zo werd het gat nog een stukje groter. En hoe groter, hoe moeilijker. De eerste namiddag ging dat nog goed, maar de week erna kreeg je diezelfde sok weer! De andere kinderen hadden het een stukje makkelijker, dus oma ging nogal eens vragen aan de zuster om haar te helpen. Maar die had dus echt wel wat anders te doen, want ze kreeg zo’n klas van gemakkelijk vijfentwintig kinderen maar niet de baas. Op een bepaald moment werd het oma gewoon teveel, omdat ze met haar sok bleef zitten en niet verder kon. Ze zat aan de rechterkant van de klas, nogal achteraan, en liep nog verder naar achteren in de klas en gooide die sok onder een kast van kwaadheid. Dat was al heel wat, dat ze dat gedurfd had! Alleen hielp het natuurlijk niets… Hoe het is afgelopen weet oma niet meer, maar wel dat ze er versteld van stond dat ze dat gedurfd had.

Oma Odilia heeft tot vandaag een onwennige relatie met de camera. Hier zien we haar in 1946 op uitstap in de bossen van Zutendaal met vlnr. Leonora, Sylvia, oma, Elvira, Oma, Theo, Leny, Rudi, Mia.

De Pels

Als ze naar school gingen konden de kinderen Meyers-Welkenhuyzen twee routes lopen, langs het oude kerkhof of “langs de Pels”, een pad vanaf de oude kerk tussen de weilanden door naar de Kloosterstraat, waar de school was. Zo liepen ze als kind naar school. De mensen liepen in die tijd vaker langs dit pad in plaats van over de Kerkstraat en de Heirstraat, want die waren vaak slecht begaanbaar door modder, kuilen en karrensporen. De grote straat maakte ook een wat grotere bocht, over De Pels (“Het Pelske”) was het dus een beetje korter. Het pad begint bij het oude kerkhof, maar oma herinnert zich dat ze zeker honderd meter ervoor al het pad insloegen (“aan Corrie”). Bovendien ontweken ze op die manier het huis van de secretaris in de Kerkstraat. Die had een heel klein kefhondje, dat rende op elke passant af en begon dan te blaffen. Sommige oudere zussen waren daar echt bang van. Oma kan zich niet herinneren dat ze ooit “aanstellerig” reageerde, niet dat ze zoveel durfde maar echt bang dat toch ook weer niet.

Tant Mia te fiets, 1951.

Te fiets

Tant Leonore, de oudste, had al heel vroeg een fiets. Ze herinnert zich dat ze met bomma en bompa naar Schimmert was gereden, in Nederlands Limburg, zo’n twintig kilometer. Ze was nog klein en bompa had al gezegd: “ja maar gaat gij dat wel volhouden met uw klein beentjes?” Zij had erop gestaan zelf te fietsen, maar op de terugweg had ze het toch wel moeilijk gekregen toen het ook nog eens een stuk bergop ging. Bompa had haar toen een stuk vooruit geduwd, met een hand in de rug, om haar te helpen.

Als oudste moest Leonore natuurlijk ook vaak een jongere zus meenemen naar school of catechismus, en dat was dan wel altijd te voet. Oma Odilia denkt dat er een tijdlang maar één kinderfietsje is geweest, dat van de een op de ander werd doorgegeven. Leonore was de oudste, dus zij zal het daarna hebben moeten delen met de volgenden, en die zijn nogal kort achter elkaar gekomen.

Leny en Leonore, ca. 1933.

In de draai bij de Oude Kerk waar de secretaris met het keffertje woonde, was er ook een hele agressieve jongen. Leonore vertelt in een boekje met herinneringen: “In ons dorp woonde de Cozeman, een jongen van een jaar of tien, de schrik van de kinderen in de lagere school. Hij was altijd agressief. Op een dag kwam hij aangelopen en duwde mijn kleiner zusje in een gracht vol netels. Ze weende verschrikkelijk. Ik moest een kwartier lang te voet naar huis gaan met mijn wenend zusje aan de hand.” Oma Odilia kan zich het verhaal voorstellen, maar de lagere schooltijd van Leonore was een hele poos voor haar tijd, dus het zegt haar niets. Het jongere zusje was allicht Leny, of Mia. Ze herinnert zich nog wel een verhaal van wat jongens die met stenen gingen gooien op anderen, en dat Leonore en haar zusje(s) daar juist passeerden en die stenen rond hun oren kregen. Dus naar school en naar de catechismus gaan dat was nog een heel avontuur.

We hebben op het kerkhof in Opgrimbie het graf gevonden van ene Nicolaas Cosemans uit de juiste tijdsperiode, zou dat “de Cozeman” zijn?

Hier vind je de herinneringen van tante Leonora / zuster Elvira:

In de kelder

Rudi is in Opgrimbie eens in de kelder gevallen. Dat kwam zo. De familie zat ’s middags aan de keukentafel, met grootvader Pier erbij, de vader van bompa Theo. Die kwam in zijn laatste jaren regelmatig ’s middags eten, want hij was alleen komen te staan. Dat was een keuken vol mensen, en Rudieke, toen amper twee jaar, leunde tegen de kelderdeur in de gang. Hij viel pardoes door het deurgat de keldertrap af, en toen ontstond grote paniek. Dat is een van oma’s oudste herinneringen, een hele hoop volk rond de tafel met grootvader Pier in het midden, en het schuifslotje op de deur naar de kelder dat iemand had vergeten dicht te doen. Pier is kort daarna gestorven (zie anekdote over zijn begrafenis).

Rudi, 1947.

Oorlog

Verhalen van bomma en bompa over de oorlog weet oma niet. Oma herinnert zich wel dat ze met de hele familie gingen schuilen bij de naaste buren in de kelder. De buurman van oma’s ouderlijk huis in Opgrimbie, Huub Machon, was aannemer. Die had zo’n dikke betonnen schuilkelder waar ze tijdens de oorlog gingen schuilen. Ze sliepen dan thuis op de grond in de voorste plaats en moesten dan opeens opstaan en door de voordeur naar buiten. Ze zagen dan flitsen en hoorden lawaai, en dan moesten ze zich haasten om bij de buren in de kelder te komen. Thuis hadden ze ook een kelder maar de vloer waren houten planken dus dat hield niet veel tegen. Voor de rest herinnert oma zich niets van de oorlogsjaren, ze was natuurlijk ook nog heel klein toen.

Een foto van de bevrijding in Opgrimbie, september 1944. Daarmee was de oorlog nog lang niet afgelopen, het duurde nog acht maanden voor Berlijn ingenomen was en de atoombom op Hiroshima viel.

Bompa moet nochtans wel een rol hebben gespeeld in het verzet, daar zijn medailles en lidkaarten van verenigingen van. Uit de documenten blijkt dat hij in de oorlog 1940-1945 “gewapende weerstander” is geweest. Nonk Zjang, zijn oudste broer, was oud-strijder van beide wereldoorlogen, als rijkswachter was hij ook automatisch deel van het militair apparaat. Het is mogelijk dat bompa Theo via hem in de weerstand terecht is gekomen, ofwel via zijn werk op de tram. Er was zelfs een vereniging van de weerstanders van de Maatschappij van Buurtspoorwegen. Dat was allemaal behoorlijk georganiseerd. Bompa Theo trad toe tot de “Patriotische Militie” in februari 1942 en kreeg stamnummer 50027. Er is ook een armband van de patriottische militie bewaard gebleven. In een document is te lezen dat bompa bij “groep T” was ingedeeld. Oma heeft nooit iets gehoord over weerstandsactiviteiten van bompa.

Oudstrijderskaart

Twee van bompa’s eretekens, een burgerlijke medaille 2de en 3de klasse. Volgens een van zijn documenten werd hij onderscheiden met een “medaille van de weerstand”, een “herinneringsmedaille van de oorlog 1940-1945 met 2 gekruiste sabels”, en elders wordt het “mutualiteitsereteken tweede klasse” vermeld. Daarnaast zijn er nog medailles van de NMVB, het ACV, de weerstand enz.

Normaalschool

Oma is drie jaar naar de normaalschool in Diest geweest, van haar 16e tot 18e ongeveer. De lagere school was tot 14 jaar, dan heeft ze nog een voorbereidend jaar gedaan in Eisden bij zuster Madeleine (1953-54). Leonore gaf daar op dat moment ook les in het lager onderwijs.

Oma Odilia in de Zustersschool in Eisden, 1954 (achteraan, voorlaatste leerlinge).
Het vertrek van Zuster Marie-Etienne van de Zustersschool in Eisden naar de missies, Rotterdam 1954. Oma Odilia staat achteraan in het midden, rechts van de zuster. Haar oudste zus Leonora staat helemaal links achteraan.

En daarna volgende de normaalschool in Diest, van 1954 tot 1957. Dat was een internaat in de schaduw van de Sint-Sulpiciuskerk. De eerste nachten dat ze daar bleef slapen (dat was niet in slaapzalen zoals bij opa in het college in Maasmechelen, maar in chambrettes) was oma heel erg onder de indruk van de beiaard van die kerk, ze dacht: hoe ga ik hier drie jaar volhouden met dat gekoddebeier boven mijn hoofd. Maar na een tijdje hoorde ze het al niet meer.

Diest, geruime tijd voor oma er ging studeren.

In het begin mochten ze alleen in de schoolvakanties naar huis: Allerheiligen, Kerstmis, Krokusverlof, Pasen, grote vakantie. Vanaf het tweede of het derde jaar mochten ze wat vaker naar huis, misschien wel elke 14 dagen? Als je kleuterleidster wilde worden, moest je naar Diest (of misschien Hasselt). Leonore is dan weer naar Borgloon gegaan om op de lagere school te kunnen lesgeven. Kleuterleidster heette toen “Fröbel-onderwijzeres”. Dat was een methode die werd aangeleerd, maar die naam werd gebruikt voor alle kleuterleidsters. Maar eigenlijk was “fröbel” een bepaalde methodiek, genoemd naar de pedagoog Fröbel. Zoals je ook de Steiner-scholen hebt, bijvoorbeeld. De normaalschool in Diest was katholiek, dat waren de Zusters van de Voorzienigheid.

Twee keer de klas van oma, met haarzelf telkens linksachter.

De klas van oma op de normaalschool was behoorlijk groot, dertig à veertig meisjes. Oma Odilia had daar wel de nodige vriendinnen, maar veel vrije tijd was er niet. ’s Morgens op tijd opstaan, dan naar de mis, gevolgd door ontbijt en speeltijd. Dat was maar gewoon wat rondwandelen buiten. Daarna begonnen de schooluren. ’s Middags was het weer eten en speeltijd. Tussendoor en na schooltijd hadden ze studie. Voor het avondeten konden ze buiten nog even een luchtje scheppen en dan begon de studietijd. De avond moest worden gevuld, dus voor en na het eten hadden ze enkele uren studie. En dan was het tijd om te gaan slapen.

Oma had wel een vriendinnengroep, maar ze zagen elkaar alleen op school dus daarna verwaterde dat snel. Ze kwamen ook uit allerlei verschillende plaatsen. Er is nog eens iemand uit die groep bij oma thuis een paar dagen op vakantie gekomen, Maria Spreutels. Maar verder is dat contact eigenlijk niet gebleven.

Normaalschool in Diest, oma Odilia als vijfde op de voorlaatste rij.

Toen oma nog op de normaalschool zat hadden ze les “opvoedkunde” bij zuster Lutgard. Met haar gingen ze ook lessen volgen, en als ze zelf les moesten geven was die zuster er ook altijd bij. Ze hadden een groot boek waarin ze de observaties van de kinderen volledig moesten opschrijven. Over het algemeen was het genoeg dat de zuster een korte uitleg gaf, en dan konden ze zelfstandig werken. Maar op enig moment kon de hele klas niet meer verder, en tegen een bepaalde datum moest het werkstuk af zijn. Omdat niemand verder kon, konden ze elkaar ook niet helpen. De zuster zei: “ik ga u dat niet vertellen, ge zult uw plan moeten trekken”. Oma begon zich dat zodanig in haar hoofd te steken dat ze ’s nachts niet meer kon slapen, of wel in slaap viel maar dan wakker schoot bij de gedachte aan de bladzijde waar ze vastzat. Toen ze op verlof naar huis was, moet ze toch wel iets verteld hebben aan haar zus Leny, want die had het doorgebriefd aan bompa. Die legde zijn oor eens te luisteren, en toen vertelde oma dat ze ook Franse les moesten volgen bij juffrouw Mimi (in het derde jaar) maar dat interesseerde haar niet zoveel. Ze wilde dat graag laten vallen om dan meer tijd te kunnen besteden aan opvoedkunde. Op maandag vertrokken ze terug naar school, rond zes uur ’s morgens bracht bompa oma naar As, naar de trein. Op het laatste moment kreeg ze van hem een envelop die ze aan de directrice moest geven. Wat er in die brief stond wist ze niet. Maar ze merkte dat hij had aangegeven dat ze geen Franse les hoefde te volgen, dat was niet verplicht en ook niet nodig. Hoogstwaarschijnlijk heeft hij in die brief ook wat laten vallen over zijn broer Pieter, die op zijn 22ste gestorven was omdat hij overspannen was geraakt (zelfmoord had gepleegd?), en dat de zuster oma wat moest ontzien, dat voelde oma ook. Ze moest dan tijdens de les Frans wel in de klas blijven en zich rustig houden, niet ambetant doen, dan zouden de andere kinderen daar niet naar “bougeren”. Juffrouw Mimi had de week ervoor een Frans gedicht met 5 of 6 strofen van 4 regels als huiswerk meegegeven, dat moesten ze van buiten leren en de juf zou hun ondervragen. Oma had goed geleerd, ze dacht: ik ga mij niet laten kennen, dat ik zo’n stommerik ben dat ik dat niet ken. Maar de juffrouw durfde haar niet ondervragen, dus daardoor wist oma dat zij op de hoogte moest zijn.

De Normaalschool in Diest, oma Odilia als zesde achteraan.

Op de normaalschool kregen ze algemene vakken, maar ook speciale zoals pedagogiek, didactiek, opvoedkunde en psychologie. Volgens opa heette dat laatste vroeger zielkunde, maar die term heeft oma nooit gehoord, zij kregen gewoon psychologie. Hygiëne kwam ook aan bod, kinderziekten en dergelijke.

Stages

Op het einde van de normaalschool moest stage gelopen worden, oma heeft zo bij zuster Michea gestaan in Eisden-dorp (die van de zonsverduistering in opa’s vroegste jeugdherinneringen). Zuster Michea is in de 90 jaar geworden, dus die heeft geschiedenis gemaakt. Voor de rest kan oma zich geen stages herinneren, wel oefenlessen. In het eerste jaar kregen ze modellessen, dat was alleen kijken en leren. Vanaf het tweede jaar moesten ze ook zelf les geven. Dan stond je alleen in de klas, de anderen uit de klas waren er dan niet bij. En ook in het derde jaar hadden ze van die stagelessen. Dan gingen ze in Diest, daar was de normaalschool 1 groot blok samen met de lagere school en kleuterschool. In die school konden een stuk of 8 terecht om les te geven. In Diest zelf was dan ook nog een wijkschool, daar moesten ze te voet naar toe, daar waren ook nog 3 à 4 klassen. Als de kleuters bij oma in de klas zaten leerden ze ook sociale vaardigheden en handvaardigheid. In de tijd dat oma en opa naar de kleuterschool gingen leerden ze bijvoorbeeld weven, maar dat was toen oma les ging geven al niet meer het geval.

Oma en drie andere “Fröbel”onderwijzeressen op stage in het weeshuis van Gellik, ca. 1957.

Toen ze uitgekomen is, zomer ’57, was in Opgrimbie een plaats vrij. Er waren twee kandidaten voor: oma Odilia en Francien Gorissen van de buren. De zusters van Opgrimbie dachten, dat gaan we simpel oplossen, we gaan lotje trekken. Het lot viel op Francien, daar waren ze bij oma thuis niet blij mee. Daardoor hebben ze toch wel een tijdje zuur gekeken naar de zusters en de pastoor. Zij vonden dat de zusters zich er gemakkelijk vanaf gemaakt hadden. De zussen van bompa, tant Ida en Hubertine, waren van dezelfde orde als de zusters in Opgrimbie: de orde van de Dochters van de Wijsheid. De zusters hadden van die grote witte kappen met nog een witte flap aan de voorkant op de borst.

De zusters Ida en Hubertine Meyers met Leonora (zuster Elvira) en Theo Meyers,
bij gelegenheid van de priesterwijding van die laatste in 1964.

Bij oma thuis vonden ze dus dat zij wat dichter bij de zusters stonden dan de familie Gorissen, en ze hadden het thuis ook meer nodig zeker omdat bomma in die tijd ziek was. Zo zijn ze ook nog eens op een feest bij de tante nonnekes (Ida en Hubertine) geweest, en daar kwamen ze ook zuster Lucie tegen en nog een andere zuster uit Opgrimbie. Die kwamen dan toch nog eens praten met de familie, dat het toen toch zo gegaan is en hoe spijtig het was…

Maar achteraf gezien was het een groot geluk voor ons, omdat oma zo in Eisden terecht is gekomen en opa heeft leren kennen. Als ze in Opgrimbie was gebleven, was het waarschijnlijk een jongen uit de straat geworden, en dan hadden wij nakomelingen niet bestaan. Die jongen uit de straat was geen Crijns geen Meyers of geen Welkenhuyzen, maar een Vanderhallen. Vanderhallen was overigens van wat verder weg ook familie (zie: tant Maria van Holland Eijsden). Die jongen van Vanderhallen uit de straat had in elk geval een oogje op oma. Maar gelukkig is ze dus in Eisden terecht gekomen, die “van Vanderhallen” leeft ondertussen ook niet meer. “Dus achteraf gezien is het heel goed uitgevallen”, dixit oma. En uiteindelijk is de verstandhouding met Francien Gorissen zelfs nog helemaal goed gekomen, toen oma interims ging doen in Opgrimbie en zo tijdelijk collega van haar werd.

Haar kleuterleidstercarrière startte dus niet in Opgrimbie, maar begon heel weinig heroïsch met de vervanging van een zieke “bewaarschoolonderwijzeres” voor 6 dagen in Uikhoven (september 1957). Even later werd in Boorsem een nieuwe klas gecreëerd, en daar toog Odilia de rest van het schooljaar ’57-58 aan de slag, voor welgeteld 8 maanden en 25 dagen.

Naar Eisden op de fiets

1 september 1958 werd Odilia dan “definitief” benoemd in Eisden, in het wijkschooltje waar opa en oma elkaar dan hebben leren kennen. Omdat oma elke dag naar Eisden ging werken kreeg ze niet veel meer mee van wat er in Opgrimbie gebeurde. Alleen op zondag in de kerk zag je dan wel telkens dezelfde mensen, maar veel van het dorpsleven in Opgrimbie kreeg ze vanaf toen niet meer mee.

Oma Odilia in 1957 met bompa Theo en haar oudste zus Leonora (zuster Elvira).
Op de achtergrond de Morris Minor.

Naar Eisden ging oma met de fiets. Een enkele keer met de tram, als het heel slecht weer was of hard gevroren had bijvoorbeeld. Dat was wel een eindje fietsen, maar dat was niet zo erg. Ze fietste dan gewoon langs de Rijksweg (Steenweg). Dan had je nog net een bochtje bij café Charbonnage en dan was ze op haar bestemming. Net voor de brug over het kanaal heb je de afslag naar de Koninginnelaan (en de Pauwengraaf). Onmiddellijk links, voorbij de houtzagerij van nonk Martin (houtzagerij Beyens), lag het schooltje. Dat lag aan een zijstraat van de Koninginnelaan, toen de Boudewijnlaan geheten. Nadien is daar een kapel gebouwd. Na zuster Lambertio is Juliana gekomen, zij heeft de hogere klassen van de kleuterschool gedaan en oma Odilia deed de kleinsten.

Op een keer fietste ze zo naar Eisden. Er waren ook veel jongens die dezelfde route fietsten maar dan verder door gingen naar de technische school achter op de Pauwengraaf. Oma Odilia hoorde achter haar het geluid van een fietser die dichterbij kwam (“klek klek klek”) en dacht: maar die gaat mij niet voorbijsteken. Dus zij hard aan het fietsen, en hij heeft haar niet kunnen bijhouden. Een goeie conditie had ze in die tijd wel, met elke dag zo’n stuk fietsen in haar benen!

Oma op stage in de kinderafdeling van het weeshuis Gellik. Daar had ze zelf een jaar in het weeshuis doorgebracht tijdens de ziekte van bomma, en daar zou later zus Elvira haar hele carrière als kleuterjuffrouw doorbrengen.

In datzelfde wijkschooltje in Eisden is opa ook begonnen aan zijn onderwijscarrière. Hij is daar gestart op 1 september 1958 – hij is uitgekomen in 1956 maar heeft dan eerst nog zijn legerdienst gedaan. Oma is uitgekomen in 1957. Opa en oma zijn waarschijnlijk op hetzelfde moment begonnen, want oma heeft eerst nog een jaar in Boorsem gestaan, vanaf oktober 1957. Daar hadden de zusters van Opgrimbie dan toch nog voor gezorgd. Ze hadden genoeg kinderen om een zomerklasje te beginnen, dat waren maar tien of twaalf kindjes.

Op de Boudewijnlaan was een wijkschool van Eisden-dorp, dat was een nieuwe school die pas enkele jaren daarvoor is opgericht, rond 1955-56. Eerst was er alleen een kleuterafdeling, later is de school uitgebreid met het lager onderwijs. Het begon met één klas van de lagere school, Maurice Hermans gaf daar les. Het jaar daarna (1958) is opa begonnen in het tweede leerjaar. En zo is dat geleidelijk uitgebreid. Zuster Lambertio gaf les in de kleuterklas. De school was in barakken gevestigd; de kleuters kregen les in houten barakken, en opa zijn lokaal was in een betonnen barak. Verschil moest er zijn, nietwaar, maar evengoed groeide het gras langs de plinten naar binnen.

En daar, in de wijkschool van de zusters van Eisden, daar leerden opa en oma elkaar kennen… maar dat is een verhaal apart.