Het oorspronkelijke gemeentehuis van Elen, waaruit de school groeide. Destijds zaten de gemeenteschool en het gemeentehuis in één gebouw, dat was op meer plaatsen het geval. Opa weet nog dat als ze in Eisden praatten van “de sjoël” (dialect: school) dan hadden ze het over het gemeentehuis.

Het eerste schooljaar in Elen was wel even wennen voor opa. Hij was toen (september 1961) nog verloofd met oma, die nog in Opgrimbie bij haar ouders woonde en nog in het wijkschooltje in Eisden les gaf. Hijzelf ging ondertussen vanuit Eisden naar Elen, eerst nog met zijn Renaultje, vanaf het huwelijk te fiets, om daar les te geven. Dat jaar zagen opa en oma elkaar wat minder natuurlijk, niet meer elke dag, omdat opa niet meer in Eisden voor de klas stond.

In Eisden had hij les gegeven aan het tweede leerjaar, nu had hij het eerste er ook bij, want in Elen hadden ze maar drie klassen, graadklassen. Dus dat was wel aanpassen, twee verschillende groepen in één klas. In het midden van het lokaal stond de kachel. De lessen werden samen begonnen, met de catechismus. Een aantal andere dingen deed de groep ook samen, zoals zang, tekenen en turnen. Maar andere vakken, rekenen en taal bijvoorbeeld, dat gebeurde afzonderlijk in twee verschillende groepen. Instructie aan één groep geven, terwijl de andere groep toepassingen, oefeningen maakte, en zo afwisselen. Dat was een gewoonte, maar in het begin nog niet zo simpel. In die tijd was dat op veel scholen het geval.

Schooljaar 1961-62, in het klaslokaal rechts beneden, de kachel in het midden.
Bartje had later in het eerste leerjaar ook in dat lokaal les van meester Coenen.

Schooloorlog

In die tijd woedde er een hele plaatselijke schooloorlog in Elen. Op de meisjesschool, de zustersschool, hadden ze ook een eerste en tweede leerjaar voor jongens. Dat kwam door een “oorlog” tussen schoolhoofd Leenders en pastoor Jansen, hoofd van de parochiale school.

Meester Karel Leenders op de speelplaats, ca. 1961.

In Elen waren er veel ouders die geen keuze wilden, konden of durfden maken, en die stuurden hun kinderen naar Maaseik. Daar was een fratersschool, je had toen de fraters, de kruisheren en de ursulinen (dat was de meisjesschool). De fraters zaten bij de brug in Maaseik, waar nu de bibliotheek is. Nadien hebben ze een school gebouwd in prefab-paviljoenen op de plek waar nu de Colruyt staat, aan de Maas. De fraters runden de lagere school, de kruisheren hadden lagere school én college. Vanuit Elen zijn er omwille van die schoolkwestie veel kinderen in plaats van in Elen in Maaseik naar school gegaan.

Schooljaar 1962-63, achteraan links het poortje naar de tuin van meester Leenders, later de speelplaats van de eerste drie schooljaren.

Buitenschoolse activiteiten

In Elen hadden ze dus drie graadklassen, in plaats van een volledig uitgebouwde lagere school. Ze hadden in Elen wel de nodige activiteiten georganiseerd voor de kinderen op de school, vakantiekampen, woensdagmiddagen en dergelijke. De buitenschoolse activiteiten waren er deels op gericht, om de kinderen naar Elen te krijgen. Andere scholen deden dat namelijk niet. Bart herinnert zich dat ook nog uit zijn tijd, en dat hij zich dan afvroeg waarom ze eigenlijk elk jaar met de school op kamp gingen. Op woensdagmiddagen tijdens het schooljaar hadden ze ook dikwijls fietstochten en spelnamiddagen.

Schoolkoor Were Di klaar voor een zangtoernooi in Dilsen.
Achteraan opa, meester Henri Vanderhoven en meester Karel Leenders.

De school had ook een koortje opgericht, “Were di”. Dat bolde goed, opa was daar de kartrekker en dirigent van. Als ze een pianist nodig hadden huurden ze er een vanuit Dilsen. Ludo Prikken is zo wel eens komen spelen, of Leo Sauwen (familie van Arnold Sauwen). In die beginperiode dat hij in Elen woonde (1964) is opa ook secretaris geworden van de harmonie, en ook van de Bond van Grote en Jonge Gezinnen.

Schoolhoofd Karel Leenders is kort na 1965 gestorven, hij was eigenlijk hartpatiënt, nog niet met pensioen toen hij stierf. Deze imposante mens, zowel van gestalte als ook van karakter, was van Elen afkomstig, en zoals de traditie het voorschrijft was hij niet zo gemakkelijk “sant in eigen land”. In het begin van zijn carrière moet er nogal veel kritiek op hem geweest zijn, maar later heeft zich dat in de plooi gestreken. Een beetje zoals meester Zjang Dedroog zich in Eisden ook moest bewijzen… Zijn weduwe is later achter de kerk gaan wonen. In diezelfde periode werd E.H. Jos Lankohr (eerder kapelaan in Eisden, en via de Chiro goed bevriend met opa) pastoor in Elen. Toen werd de verstandhouding tussen de gemeenteschool en de parochieschool weer hersteld. De meisjesschool heeft toen de jongensklassen opgedoekt, die kwamen terug naar de gemeenteschool. Zo is de jongensschool dan stilaan kunnen groeien naar zes klassen. De meeste kinderen die vanuit Elen naar Maaseik gingen zijn dan ook weer terug naar Elen beginnen gaan.

Toen de fusie van de gemeenten tot stand kwam, in 1971, is de school van Elen gefusioneerd met die van Dilsen. Het gemeentelijk onderwijs werd gereorganiseerd, Elen was voortaan afdeling van Dilsen. Daardoor kwamen er iets meer mogelijkheden, bijvoorbeeld een vaste leermeester lichamelijke opvoeding. Tot dan moesten ze die delen.

Het schoolgebouw

Het schoolgebouw / gemeentehuis bestond uit drie vleugels, het middenste oorspronkelijk met twee verdiepingen. Links en rechts daarvan lag een leslokaal, later (maar geruime tijd voor opa in Elen belandde) zijn die vervangen door nieuwe vleugels op twee verdiepingen, elk met een eigen traphal. In het schoolhuis in het midden woonde de hoofdonderwijzer, in die tijd was dat Karel Leenders. Aan de rechterkant beneden zaten het eerste en tweede leerjaar, boven het derde en vierde. Aan de linkerkant beneden het vijfde en zesde leerjaar, daarboven was het gemeentehuis. Leenders, de hoofdonderwijzer, gaf les aan het vijfde en zesde. Meester Vanderhoven aan het derde en vierde. En opa aan het eerste en tweede, toen Julien Dezeure naar Rotem vertrok. Nadien, toen meester Leenders gestorven is, heeft er in het schoolhuis niemand meer gewoond. Het gelijkvloers is dan heringericht als één groot lokaal, waar de harmonie in heeft gezeten en later de school. In die vroege jaren ’60 was er geen schoolkantine, op school blijven eten dat bestond niet. De kinderen gingen tussen de middag allemaal naar huis. Nog later is het gelijkvloers van het schoolhuis naar achteren toe uitgebroken en daar is dan eetzaal van gemaakt. Oma herinnert zich dat ze een tijdlang warm eten bestelden op school. De kinderen moesten dat dat op voorhand bestellen, en zij weet nog dat zij dat dan ook deden, dat werd dan kant en klaar op school bezorgd en dat aten we dan thuis op, dat was wel makkelijk want oma deed in die tijd zelf ook nog interims. Bart herinnert zich nog dat ze daar ook naar schooltelevisie keken, hij heeft daar de landing van de eerste mensen op de maan gezien bijvoorbeeld. Er liep een gang door naar achteren, in het linkerstuk was toen de eetzaal. En als de kinderen chocomelk (van de Lilac) of fanta wilden drinken tijdens de speeltijd, moesten ze dat ook daar halen in Bart zijn tijd. Toen de vierde klas ingericht werd, is die boven het schoolhuis ingericht. Daar heeft opa ook nog les gegeven.

Sport en spel op de speelplaats, met achteraan onder het afdak meester Vanderhoven en rechts vooraan opa. Links op de achtergrond de toiletten, dan het afdak, en vervolgens een muur die naar de tuin van meester Leenders leidde. Na de dood van Karel Leenders werd de speelplaats uitgebreid naar daar.

Achter het gebouw lag de speelplaats, oorspronkelijk waren dat twee delen. Er stond een muur met een poortje en daarnaast een afdak met de toiletten en pisbakken. In de hoek achterin stond een hok en daar stond de lijkwagen van de gemeente in. Aan de andere kant van de muur lag de hof van meester Leenders. Toen meester Leenders gestorven is, is aan die kant ook speelplaats gemaakt, voor de lagere jaren. Aan de rechterkant (vanop de speelplaats gezien) kon je langs het gebouw door naar de straat. Bart herinnert zich nog dat Peter Weda daar door scheurde in zijn bolide, als hij muziekles kwam geven. Op een dag werd er een poort geplaatst, en het was stilletjes afwachten of mijnheer Weda dat op tijd zou opmerken. Aan de straatkant lagen tenslotte nog het kolenhok en de elektriciteitscabine.

De hele infrastructuur was natuurlijk niet te vergelijken met de huidige. Op een keer moest Bartje in de winter na school wachten om met opa mee terug naar huis te kunnen rijden. Hij zat toen in het tweede studiejaar, bij meester Jehaes, en om zijn tijd nuttig door te brengen veegde hij het bord proper met water en een spons (tijdens de lessen gebeurde dat meestal droog, met een veger). Toen hij de volgende ochtend de trap wou bestijgen naar het klaslokaal, stroomde het water hem tegemoet… hij had vergeten de kraan dicht te draaien!

De vloeren waren plankenvloeren, dat zorgde natuurlijk ook voor enige gehorigheid. Bartje herinnert zich dat hij in het zesde jaar regelmatig meester Aegten in het lokaal boven hem hoorde roepen tijdens de les, maar hij kon maar niet begrijpen wat de meester riep, het klonk een beetje als Martin. Jaren later viel hem te binnen dat het “m’enfin” moet zijn geweest…

Een schooldag

De werkmensen van de gemeente maakten in de winter ’s morgens de kachels aan in de school. Ze bleven daar dan lekker warm zitten, tot de school begon, en dan gingen zij aan het werk. De kachel was dus aan als de onderwijzers op school kwamen, en dan stonden er één of twee bussen kolen naast klaar. De rest van de dag moesten ze dan wel zelf zorgen dat die kachel aan bleef. In de hogere klassen moest dan vaak één van de kinderen een bus kolen gaan halen tussendoor, om de kachel bij te stoken.

Er stond ook een harmonium in het klaslokaal, daar begeleidden de onderwijzers de zangles mee. Veel kende opa daar op dat moment niet van, maar dat ging toch, zo met de rechterhand wat de melodie spelen. Dat harmonium heeft hij veel gebruikt – geen wonder dat hij er nu nog altijd een in zijn woonkamer heeft staan.

Meester Vanderhoven wordt (einde jaren ’60) gedecoreerd voor vele jaren dienst door de schepen van onderwijs Adam Deckers.

Bij het uitoefenen van hun functie was voor onderwijzers (zoals ook voor winkeliers) de stofjas onontbeerlijk. Schrijven op het bord (en dat weer afvegen) was immers een stoffige aangelegenheid, het zou zonde zijn daar je goede kleren aan op te offeren. Dat afvegen van het bord werd overigens ook vaak aan de kinderen overgelaten, zo op de manier van “Eddy, nu is het aan u om het bord af te vegen”.

Hoewel onderwijzers in de jaren zestig nog hoog in aanzien stonden (ze stonden in de klas ook letterlijk hoger dan de leerlingen, op een verhoogje voor het bord), was het natuurlijk niet vreemd dat ze vaak een bijnaam kregen. In het dorp werd opa meestal “de meister” genoemd, hoewel we bij sommige buren (Budé dacht ik) ook wel eens “het meisterke” hebben gehoord, maar een hele tijd lang was hij toch vooral “den Egel”. Daar zat zijn stekelige haardos uiteraard voor veel tussen, en die is intussen mee vereeuwigd in ons familiewapen.

Bartje bij meester Coenen in het eerste leerjaar 1969-70, links met het gele pulloverke. Rechts van de kachel (bruine pull Freddy Broens. In het midden vooraan genoot Bèrke (Robert Rummen) tegen wil en dank wat bijzondere aandacht.

Meester Vanderhoven

Behalve meester Leenders had je nog meester Vanderhoven. Voordat opa in Elen belandde, werkte Julien Dezeure op de school, en diens voorganger was Merlo uit de Mortelveldstraat, die is later verzekeringsagent geworden. Zoals veel onderwijzers in die tijd hadden zowel meester Vanderhoven als Merlo een bijbaantje. Merlo deed vooral in verzekeringen, Vanderhoven werkte voor de Spaar- en Lijfrentekas (ASLK, nu BNPParibasFortis). Dat combineren van jobs kon niet blijven duren, op een bepaald moment werd er van hogerhand een wetgeving ingesteld op de “cumul” (opstapeling van functies). Zo werden Vanderhoven en Merlo gedwongen om te kiezen. Merlo heeft toen gekozen voor de verzekeringen en is uit het onderwijs gestapt, Vanderhoven is gebleven als onderwijzer. Hij woonde in Maaseik aan Sint-Jansberg en was getrouwd met Alice Finken. Pas toen Karel Leenders gestorven is, in het midden van de jaren 1960, is hij schoolhoofd geworden en heeft hij gebouwd in Elen op de Kasteeldreef. Hij was wel afkomstig van Elen, zijn ouders woonden in de Breemstraat, vlak naast de bakker (Creemers). Iets verderop in de straat heeft later zijn broer, “Leike”, gebouwd.

Opa, meester Vanderhoven, meester Leenders,
ongetwijfeld in de parochiezaal van Elen, ca. 1964.

De eerste jaren dat opa in Elen werkte, woonde hij er niet, dus ging hij ’s middags met meester Vanderhoven mee naar diens huis in Maaseik, om te eten, want op school was daar toen nog niets voor voorzien. Hij was daar zo’n beetje kind aan huis, hij kon heel goed met hem opschieten. Dat was nog met de Volkswagen Kever van meester Vanderhoven: de 4 kinderen van Vanderhoven achterin (2 meisjes en 2 jongens: Lutgard, Marijke, Tonny en Peter) en de twee meesters van voor. Die kinderen zaten niet allemaal in Elen op school: de meisjes in Maaseik, de jongens gingen naar Elen. Dus ’s middags waren het alleen de jongens die meereden. Tonny heeft later het ouderlijk huis overgehouden in de Kasteeldreef en helemaal verbouwd, maar ondertussen heeft hij het verkocht en woont hij in Neeroeteren. Lutgard is dokter, die werkt waarschijnlijk – als ze nog niet op pensioen is – in Genk in het ziekenhuis. Marijke was onderwijzeres in Maaseik.

Bart herinnert zich hem als een voorname mens, correct en zéér ordelijk. Hij had de reputatie heel streng te zijn, maar één keer als hij je kende en waardeerde was hij heel minzaam. Eén anecdote over hem gaat nog altijd rond: toen er in de jaren ’60 met de bus op schoolreis werd gegaan naar de chocoladefabriek Jacques in Eupen, wou meester Henri Vanderhoven dat perfect voorbereiden. Hij tekende de omtrek van de bus in krijt op de speelplaats, met de ingang en de stoelen er in getekend, en vervolgens moesten alle leerllingen in de rij staan bij die getekende bus en elk op hun beurt netjes “instappen”. Waar alle leerjaren ook naar opkeken, was naar de zesdejaars, die bij meester Vanderhoven abstracte (geometrische) pentekeningen met ecoline moesten inkleuren in de tekenles, een heel secuur werkske waar ge beter geen vlekken bij maakte. Rapporten uitreiken op het einde van het jaar was ook een heel georganiseerd ritueel, met alle leerlingen in de rij op de speelplaats, en het zingen van het Limburgs volkslied.

Op schoolreis bij chocoladefabriek Jacques in Eupen, ca 1963, met links meester Vanderhoven.

In het begin – zoals overal – werd de bibliotheek in de school gehouden, dat was een kast achteraan in de klas van het zesde studiejaar. Daar vond je de grote klassiekers uit de wereldliteratuur, meestal in een speciale versie voor jongeren, een hele reeks historische verhalen van de Sikkel, met prachtige tekeningen van ene zekere Henri Panis, en ook wel avonturenromans zoals Pim Pandoer, Arendsoog en Witte Veder, de boeken van Karl May enzovoort. De bibliotheek in de school heeft meester Vanderhoven overgenomen toen hij hoofdonderwijzer werd, na het overlijden van Karel Leenders. Na zijn pensioen is meester Vanderhoven de bibliotheek blijven beheren. Bij de bouw van het nieuwe gemeentehuis in Elen (1967) werd daar een riante ruimte voor de bibliotheek voorzien, en zowat alle schoolkinderen vormden een rij van de school naar de nieuwe bibliotheek om de boeken te verhuizen. Toen de bibliotheek verhuisd is naar het gemeentehuis is hij bibliothecaris gebleven, dat moet echt wel een bekroning van zijn inspanningen zijn geweest.

Links het voormalige gemeentehuis (ca. 1970),
nu geïntegreerd in het nieuwe gemeenschapscentrum (2014) dat de afgebroken parochiezaal vervangt. (Foto: PPN, Nieuwsblad)

Het gemeentehuis was gebouwd net voor de fusie van de gemeente, in een gemoderniseerde Maaslandse stijl, die stijl zie je niet alleen in Elen terug maar ook in Lanklaar, Vucht, Leut, … Waarom de gemeente zo’n investering deed vlak voor de fusie blijft een beetje een raadsel. Wilde de gemeenteraad tonen dat Elen in de fusie niet moest onderdoen voor de andere gemeenten? Het is een groot ruim en licht gebouw met een brede statige traphal, waar een glasraam met het wapenschild van de gemeente prijkt. Feit is, het heeft vrijwel niet als gemeentehuis gediend. Er werden diensten ondergebracht van Bruggen en Wegen, er waren vergaderzalen voor de Commissie Openbare Onderstand (nu OCMW) en soms was er eens een tentoonstelling in de trouwzaal, maar de meeste Elenaren kennen het gebouw als “de bibliotheek”.

Rechtsboven in het gebouw, tegenover de trouwzaal, vond je immers de bibliotheek waar meester Vanderhoven met de hem gekende discipline de touwtjes in handen hield. Bartje is hem daar heel vaak gaan helpen, ’s woensdagsmiddags en ’s zaterdags, want opa had hem al heel vroeg (het eerste leerjaar of zo, 1969) wegwijs daarheen geholpen. Bij de eerste ontlening nam Bartje een boek van Pietje Puk mee. Prachtige boeken heeft hij daar de volgende jaren ontdekt, van Max en de Maximonsters (Where the Wild Things Are) tot de hilarische nonsensikale boeken van Daan Zonderland. Pinkeltje, Pim Pandoer, … het werd het begin van een leven met boeken.

Meester Vanderhoven 1981.

Dat helpen bestond uit het terug in de rekken zetten van de terugkerende boeken, dat moest heel secuur volgens alfabet en dan volgens grootte, en alle ruggen moesten mooi gelijk met de rand van het rek staan. Veel Vlaamse Filmpjes waren tot op de draad versleten, honderden daarvan heeft Bart van een nieuw zelfgetekend kaftje voorzien. Dat tekenen van omslagjes deed hij thuis uiteraard, maar tijdens de openingsuren was hij ook twee dagen per week present in de bibliotheek. Zo viel hem bijvoorbeeld op dat als meester Vanderhoven telefoneerde, hij dat altijd met een grote glimlach deed. Het moment dat hij de hoorn oplegde, verdween die in een oogopslag, om plaats te maken voor zijn gebruikelijke gereserveerde gelaatsuitdrukking. Bij het beheren van de bibliotheek hoorde verder het bijhouden van de “fichenbakken”, waar je kon opzoeken welke boeken er waren en waar je ze kon vinden, het afstempelen van de kaarten bij de uitgaande boeken, en verder was er ook een vroege kopieermachine, zo eentje dat van die grijze vies ruikende copies produceerde met een chemisch procédé, een natkopieerder waarvan de resultaten overigens nog altijd perfect leesbaar zijn. Vanuit de school werden regelmatig taken gegeven die de leerlingen naar de bibliotheek joegen, zowat de enige bron van kennis destijds, want het internet bestond nog niet. Dan moest je bijvoorbeeld een opstel over een dier maken, en daarvoor moest je de encyclopedie Het Rijk der Dieren consulteren (Grzimek). Zo is een hele generatie Elenaren voor de eerste keer met boeken in aanraking gekomen, want laten we eerlijk zijn, in vele huisgezinnen was geen enkel boek te vinden, op het kookboek van de Boerinnengilde na misschien.

Qua orde heeft Bart meester Vanderhoven maar één keer geëvenaard geweten: dat was toen hij elpees begon te ontlenen in de mediatheek (ook wel discotheek genaamd, maar dat schept verwarring) van Maaseik. Hij trok daar vanaf zijn vijftiende of zo in het weekend regelmatig te fiets naartoe en kwam altijd met een rijke buit terug: Berlioz, Bach, Händel… ideale muziek om bij te lezen of te tekenen of te schilderen. De mevrouw die daar alles in goede banen probeerde te leiden, was net als meester Vanderhoven een controlefreak: zij stond erop dat de elpees met de A-kant naar boven in de hoes werden gestoken, en kon niet begrijpen dat er mensen waren die daar geen acht op sloegen.

De muziekkiosk die in de jaren ’70 links naast het oude gemeentehuis stond.

Meester Vanderhoven verplaatste zich in de jaren ’70 niet meer in een Kever, maar in een grijze Volvo 144 (herinnert Bart zich, niet de Amazone maar het model daarna, een rechthoekige bak). Daarbij droeg hij van die sporthandschoenen, leren handschoenen met gaatjes in en zonder vingers.

Verder was meester Vanderhoven secretaris van de kerkfabriek, waar hij opa ook geïntroduceerd heeft. Nu, bijna zestig jaar later, is opa nog steeds lid (en voorzitter) van die kerkfabriek Sint-Pieter.

In een bundeling krantenartikels door A. Habets uit Neeroeteren, “Elen in herinnering”, bijeengesprokkeld uit het Belang van Limburg, vinden we volgend interview met Henri Vanderhoven, vermoedelijk uit 1981. Daarin vertelt hij hoe hij de liefde voor het boek meekreeg van zijn vader, die ’s zaterdags na het bad de 9 kinderen voorlas uit De Leeuw van Vlaanderen, hoe zijn eigen boekencollectie in 1940 het begin vormde van de (school-)bibliotheek en hoe dit bescheiden rekje ondanks de lauwe belangstelling van het gemeentebestuur uitgroeide tot een voor die tijd (en voor een dorpje als Elen) uitzonderlijk luxueuze bibliotheek.

In 1997 publiceerde de Gouden Sleutel een artikel over de viering van de 80ste verjaardag van meester Vanderhoven, je kan het hieronder downloaden.

Al bij de fusie van Elen, Dilsen, Stokkem, Lanklaar en Rotem werden plannen ontvouwd om het onderwijs te moderniseren, en zo werd op 25 juni 1975 de eerste steen gelegd van de nieuwe gemeentelijke lagere schoolgebouwen in Elen. De harmonie Sint-Cecilia verleende haar muzikale medewerking, een jeugdgroep vendelzwaaiers trad op, de heer Ramakers Hubert (toen gedelegeerd naar de lagere school van Dilsen, waar die van Elen in werd opgenomen) hield de gelegenheidstoespraak en inspecteur-generaal bij het Fonds der Schoolgebouwen Ghijsels metselde de eerste steen.

Kamp

Eén van de manieren waarop de school in Elen leerlingen (of beter: hun ouders) trachtte te lokken en te binden, waren de schoolkampen. Dat was natuurlijk een kolfje naar de hand van opa, die heel zijn jeugd bij de Chiro in Eisden had doorgebracht. Oteppe was het eerste schoolkamp, maar ze hebben zo verschillende plaatsen aangedaan: Auel, Achel (niet bij de abdij maar in de school), Grobbendonk (in een oude legerkazerne, een voormalige militaire basis van de Amerikanen (volgens Wikipedia waren het de Britten). Dat in die kazerne weet Bart nog, was daar geen luizenplaag? Zo zijn ze ook eens een jaar in een parochiezaal op kamp geweest, ergens in diezelfde buurt.

Op schoolkamp in Achel, 1972. Linksachter meester Aechten.

In Oteppe waren het allemaal bungalowtjes, een soort vakantiepark met kleine houten barakken op een helling. Met het schoolkamp zaten ze in vergelijkbare bungalows maar dan groter, voor groepen. Opa had natuurlijk al wel de nodige ervaring met kampen van bij de Chiro, maar toch was er een probleem. Werner Schols was namelijk doof, en die had op voorhand heel lang bij zijn ouders moeten zagen (en de schoolleiding ook) of hij toch niet alstublieft mee op kamp mocht! Uiteindelijk mocht hij dan meegaan. De eerste avond gingen ze wandelen met de hele groep. Er was dus een geweldige schuine helling, en de leiders hadden de hele groep kinderen gewaarschuwd: jongens, niet rennen, uitkijken! Maar Werner had dat waarschijnlijk vanwege zijn doofheid niet opgevangen en die ging dus van die helling af crossen. En hij viel en brak zijn been, meteen al de eerste avond. Ze hebben dan onmiddellijk de ouders gebeld en die maakten daar gelukkig geen stampei over, anders was het hele idee van een schoolkamp meteen roemloos ten onder gegaan.

Op schoolkamp: opa met Hilda Cardinaels (echtgenote van meester Snoekx), ca. 1972. Op tafel een pakje Zemir en een aansteker.

Bij het schoolkamp was het weer over het algemeen goed, dat herinnert opa zich nog. Met dat eerste schoolkamp naar Oteppe is Bart waarschijnlijk niet mee geweest, toen was hij nog te klein. Wel zijn we kort daarna met het gezin terug in hetzelfde vakantiepark gaan logeren, tant Elvire en nonk Giel waren toen ook van de partij. De volgende schoolkampen heeft Bart wel meegemaakt. Dat waren telkens weken met trektochten, kampvuren, spelletjes, slapen in grote slaapzalen… en het was natuurlijk net zoals op school wel raar dat je één van de jongens was (en je ook zo moest gedragen, je kon niet opeens “papa” zeggen tegen je vader hé, dat was op school gewoon “meester”), maar tegelijk toch je ouders ergens in de coulissen wist. Je werd daar ook wel mee gepest, als je goede punten had dan lag dat aan het feit dat je de zoon van je vader was, evenzo als je een voordrachtwedstrijd won en zo voort. Wat Bartje niet heeft belet om competitief te blijven. 🙂

Interims

Oma werkte tot de geboorte van Peter (1964) in het wijkschooltje in Eisden, maar heeft daarna nog wel interims gedaan: in Eisden, in Elen, Voorshoven en ook in Opgrimbie en in Dilsen. Soms vonden ze daar helemaal niemand, en dan kwam de directeur (Jaak Moesen?) ook al eens aan huis om te vragen of ze toch echt niet zou willen invallen. Zo weet oma ook nog dat ze eens een tijdje de kinderen (Bart, en waarschijnlijk ook Peter) naar Opgrimbie bracht door de week. Juffrouw Mia van de school in Elen kwam dan om ze op te halen, bracht ze begin van de week naar Opgrimbie, daar bleven ze dan een week, en aan het einde van de week gingen ze ze weer ophalen. Zo kon oma doordeweeks toch op school werken, want ze konden anders echt niemand vinden! Het “excuus” dat oma geen interims kon doen omwille van de kinderen werd zo “opgelost”…

Oma als interim in Voorshoven, waar Meester No Sijbers schoolhoofd was (1982).
No was een goede vriend van de familie, gehuwd met Lieske Dedroog (dochter van meister Zjang Dedroog en Leen van de köster in de Langstraat in Eisden).

In het begin, toen de kinderen nog klein waren, was oma eigenlijk liever thuis dan dat ze interims ging doen als kleuterleidster. Maar omdat de scholen soms niemand vonden, deed ze er dan toch wel eens eentje. Later – toen de kinderen naar school gingen en ze alleen thuis zat – heeft ze er wel een aantal op eigen verzoek gedaan, voor de afwisseling. Toen heeft ze ook een paar keer in Opgrimbie op de school gewerkt, daar kon ze dan bijbabbelen met Francien Gorissen (die daar in haar plaats was aangenomen als kleuterleidster toen ze afstudeerde). Ze hadden elkaar natuurlijk een aantal jaar niet gezien, dus dat was wel plezant. In Opgrimbie verving oma een zuster (non) als kleuterleidster, en daar waren ze redelijk streng. Het gebeurde al eens dat ze het commentaar kregen niet te veel te babbelen, maar op de kinderen te letten. Die zuster keek toe vanuit het klooster hoe zij op de speelplaats met elkaar stonden te praten!

Secretaris

Bij de komst in Elen werd opa vrijwel onmiddellijk ingelijfd bij de harmonie als secretaris, en bij de Bond van Grote en Jonge Gezinnen eveneens. Voor de harmonie heeft hij een tijd notenleer gegeven aan de beginnelingen, dat was in de school. Maar ze zochten bovenal iemand die goed kon lezen en schrijven (ook voor de BGJG overigens).

In 1964 hebben ze met de harmonie in Elen een solistenwedstrijd georganiseerd, samen met de Limburgse Muziekfederatie. Dat was de eerste, dat bestond toen nog niet. De wedstrijd verliep over twee dagen – zaterdag en zondag – want er waren een dertigtal deelnemers. Ze moesten twee piano’s huren om te begeleiden, want er waren nog harmonies en fanfares die in de oude toon speelden, een halve toon lager dan de moderne harmonies. Daar moesten ze dus een tweede piano voor hebben, eentje die lager gestemd was. Voor die eerste solistenwedstrijd was Zjang Demandt van Stokkem voorzitter van de jury. Hij was ook dirigent van de harmonie van de steenkoolmijn Limburg-Maas. De andere twee leden van de jury waren Omer Schepmans uit Diest en luitenant Vergouwen van de muziekkapel van de gidsen.

De deelnemers moesten op voorhand de stukken insturen die ze gingen spelen, met pianopartituur, en ze moesten zelf een begeleider zoeken. Er was een man van Riemst van in de 60 jaar. Die speelde “De lachende saxofoon”, een heel moeilijk muziekstuk voor saxofoon. Toen hij klaar was met spelen – hij had het prachtig gedaan – riep Zjang Demandt, de juryvoorzitter, hem bij zich. “Het spijt ons, maar we moeten u diskwalificeren.” Die man werd rood, en kwaad, want hij snapte het natuurlijk niet. Wat was er aan de hand? Het muziekstuk “De lachende saxofoon” voldeed niet aan de criteria die de Limburgse Muziekfederatie op voorhand had gesteld, alleen waren ze vergeten hem dat te melden! Dus die man die was kwaad, dat kunt ge u wel voorstellen.

Hetzelfde jaar, of het jaar daarna, zijn die van Elen op schoolreis geweest naar de grotten van Kanne. Bij aankomst werden ze verwelkomd door een gids, en dat was diezelfde man! Het eerste wat die man aan de kinderen vroeg, was: “en van waar komen jullie?” Antwoord: “Van Elen, meneer!” Hij sloeg onmiddellijk weer rood uit.

Toekenning van de eretekens aan Harmonie Sint-Cecilia Elen, 1982.

Ook van de Bond van Grote en Jonge Gezinnen was opa secretaris, daar kwam toch ook heel wat werk bij kijken. Elk jaar de lidkaarten in orde maken en uitdelen, kortingskaarten voor het spoor… Mensen moesten dan een pasfoto inleveren en hij moest dan die kaarten aanvragen bij de NMBS. Er waren ook geregeld vergaderingen. Eén keer per jaar was er een groot souper. Daarbij was het de gewoonte dat mensen hun eigen kopje en schoteltje meenamen voor de koffie, en mes en vork voor de vlaai! De parochiezaal (in de Langstraat in Elen) was daar allemaal nog niet op voorzien. Er werd dus jaarlijks een feestmaaltijd voorzien en dan kwam er ook een spreker vertellen over een opvoedkundig onderwerp. Huiswerkbegeleiding, kinderen en speelgoed, dat soort dingen. Soms ook andere onderwerpen, zo herinnert opa zich dat Trudo Hoewaer ooit is langs gekomen om wat van zijn gedichten voor te dragen. Na de souper en de spreekbeurt was gewoonlijk een bal. In die tijd waren dat verenigingen van meer dan 100 leden. Er was elk jaar ook een viering van de moeders van 10 en meer kinderen. Wie het tiende of volgende kind op de wereld zette, werd gevierd, dat was een hele prestatie…

L’importance du Limbourg

Jaak Rutten was burgemeester in Elen, hij was broer van André Rutten (burgemeester van Dilsen) en ook voorzitter van de Bond van Grote en Jonge Gezinnen. Hij was ook plaatselijk correspondent van Het Belang van Limburg. Elke dag had je in de krant een rubriek met plaatselijk nieuws. Zo stond er van elk dorp wel een klein nieuwtje dagelijks in de gazet. Als iemand zijn arm gebroken had, of een grote vis had gevangen, of er viel een ander wereldschokkend feit te melden, dan werd daar een stukje over geschreven.

Toen de oude burgemeester Karel Lieben met pensioen ging, moest er in Elen een nieuwe burgemeester gekozen worden. Er waren twee kandidaten: eerste schepen Adam Deckers (van de bouwmaterialenzaak), en Jaak Rutten zelf was ook kandidaat. Op zekere dag kreeg papa telefoon van Jaak Rutten, “kom es hi-j”. Die man sprak altijd in de gebiedende wijs. Dus opa naar hem toe, en hij trof hem in de keuken aan, in zijn beste kostuum en met een dikke sigaar in de mond. Hij stopte opa een pasfoto toe en zei: “hier, dat is voor in de gazet”. Opa snapte het niet, maar het was kennelijk de bedoeling dat hij vanaf die tijd plaatselijk correspondent voor Het Belang zou worden! Op de achterkant van die foto stond “nieuwe burgemeester van Elen”.

Opa heeft zo een paar jaar plaatselijk correspondent gespeeld, maar hij deed dat niet goed volgens Jaak Rutten. Bij de opening van de (oude, toen nieuwe) bibliotheek in Dilsen was opa ook uitgenodigd. Dat was toentertijd een voorbeeld voor heel Limburg, want tot die tijd waren de meeste plaatselijke bibliotheken gevestigd in een klaslokaal, maar dit was een moderne, openbare bibliotheek. Hij trof daar André en Jaak Rutten, en die laatste sprak hem aan: “euver uuch ben iech neet content” “Hoezo, burgemeester?” “Awaal, der steit toch niks uuver Iele in de gazet?” Het interesseerde opa eigenlijk ook niet, hij had meer dan genoeg om handen op school, in de harmonie, de BGJG en het kinderkoor – en dan vergeten we nog de naschoolse activiteiten (op woensdagmiddag waren er altijd spelnamiddagen en fietstochten voor de kinderen) en de zomerkampen. Dus hij heeft wel een paar jaar journalist gespeeld, maar alleen omdat het moest. Het bracht ook niks op, behalve als er een foto geplaatst kon worden, daar werd nog wel iets voor betaald. Maar opa vergat het gewoonlijk.

Inspecteur

In 1974 is opa inspecteur basisonderwijs geworden. Daarvoor heeft hij 3 jaar les gevolgd aan het Hoger Opvoedkundig Instituut. Dat moet vanaf 1972 of zo geweest zijn. Die lessen waren op woensdagmiddag en zaterdag, en daarvoor moest hij telkens naar Hasselt. Onder de grote vakantie – in augustus – moesten er dan examen afgelegd worden. Normaal gezien zou Bartje het laatste jaar van zijn lagere school bij opa in de klas gezeten hebben, maar dat feest is toen niet doorgegaan. Daarvoor deed meester Vanderhoven het laatste jaar, maar die was toen net met pensioen gegaan. In het vijfde jaar hadden ze een jongere leraar. Toen Bart naar het zesde ging kregen ze een vervanger, want opa werd toen taakleraar en is zelfs interim-directeur geweest in Dilsen. Toen was hij ook bezig met zijn studies voor inspecteur. Dus dat zal rond 1974 geweest zijn, dat hij examen heeft gedaan.

Bart weet nog dat opa dan in zijn bureau zat te studeren en dat oma hem dan om de zoveel tijd een tas koffie ging brengen. De kinderen moesten dan stil zijn want opa was aan het leren. De laatste twee jaren van de opleiding gingen we in de zomervakantie met meester Piet Hendrickx en No Sijbers naar de Vosseslag, een bungalowpark in Klemskerke. Die bungalow was eigendom van Francien Dedroog, zuster van Lieske Dedroog (vrouw van No Sijbers en dochter van meester Zjang Dedroog van Eisden). Francien woont of woonde in Tongeren, aan de statie, daar hadden ze een grote houthandel. De aspirant-inspecteurs brachten dan ’s morgens de vrouwen en kinderen naar het strand, en de mannen gingen dan naar de school (andere bronnen zeggen: de bibliotheek) om te studeren. Later gingen we daar ook op vakantie met het gezin van tant Elvire en nonk Giel – John was daar zeker bij, Vera zal toen nog maar net zijn komen piepen. Bart herinnert zich nog dat ze als kinderen (ondanks alle goede schoolresultaten!) vakantiewerkblaadjes kregen, die ondingen kwamen elke dag met de post toe uit Schellebelle. De verderfelijke afzender luisterde naar de naam Wim Roggeman, het trauma dat hij veroorzaakte was zo groot dat zijn naam nog altijd in mijn geheugen gebrand staat (als het mij niet bedriegt natuurlijk).

Het inspecteurscorps in 1976, opa rechts achter.

Oma herinnert zich nog een uitstap die zij met papa gemaakt heeft naar Esneux, volgens opa was dat in hetzelfde jaar dat ze met Piet en No naar Klemskerke geweest zijn, het eerste jaar van zijn inspecteursopleiding, 1969 dus. Na het examen is hij dan met oma naar Esneux geweest, waar ze in een klein hotelleke terechtkwamen beneden aan de brug over de rivier. Ze kregen er maar een klein viske met één aardappel op hun bord, en besloten de volgende dag naar Durbuy door te reizen. Vanaf het volgende jaar zijn ze allemaal samen gegaan, met Piet en No en Marcel en Thieu (“de Ardenners”). Dat samen op vakantie gaan hebben ze toch wel een 20 jaren achter elkaar volgehouden.

Een exclusief georganiseerde voorbereiding voor het inspecteursexamen bestond niet. Wel was de beste voorbereiding de cursus (drie jaar) aan het Hoger Opvoedkundig Instituut in Hasselt.
Opa volgde de negende cyclus (1969-1972) en ontmoette daar Piet Hendrickx en No Sijbers. Zij werden gezworen vrienden en trokken al snel samen op uitstap, vaak naar de Ardennen. Hier zien we Piet en Fien Hendrickx, No en Lieske Sijbers, Opa (en oma nam waarschijnlijk de foto) bij de waterval van Coo, 1969 of 1970. Later hebben nog Marcel van de ASLK (Algemene Spaar- en Lijfrentekas) in Lanklaar en Thieu van het CLB (Centrum voor Leerlingen Begeleiding) in Maasmechelen met hun respectievelijke echtgenotes de club vervoegd.