Overpeinzingen van een jonge witte man, 63 jaar in 2026.
Brillen

Ik stam uit een familie van brildragers. Mijn ouders dragen allebei een bril, ze dragen die met fierheid al op hun prille verlovingsfoto’s, lang geleden in de jaren ’50 van de vorige eeuw, en het stond hun goed, want hij was kersverse onderwijzer en zij Fröbeljuffrouw. Er bestaat zelfs een foto waar de bril van mijn vader scheef op zijn aangezicht plakt bij gelegenheid van zijn deelname aan de verlovingscursus in de pastorie van Opgrimbie, alsof hij net een slag op zijn neus heeft geïncasseerd, wie zal het zeggen, misschien is daar toch een vorm van confrontatie of inwijding bij komen kijken.
Dus toen ik last kreeg van leesproblemen en op mijn elfde het verdict kreeg dat ik een bril moest dragen, deed ik dat meteen met het nodige verantwoordelijkheidsgevoel. Ik zette hem op zodra ik wakker werd en legde hem pas naast mij neer zodra ik mij des avonds neervleide om mijn nachtrust te genieten. Mijn bril hoorde bij mij en ik hoorde bij mijn bril, hij was deel van mijn identiteit als boekenverslindende tekenende zoon van twee onderwijzende ouders. Mijn jongere broers deelden, hoewel ze veel minder boeken verslonden, in hetzelfde lot.
In de loop der jaren kwamen en gingen er schabouwelijk dure brillen, bespottelijk goedkope brillen, brillen met bifocale glazen en zonnebrillen al dan niet op scherpte. Er waren er bij met een transparante montuur, gouden, ronde en ovalen, grote en kleine, zware en lichte. Mijn bril was onmisbaar: decennia lang vormde hij een onmisbaar scherm tussen mij en de buitenwereld, een barrière als het ware, samen met mijn stoppelbaard.
Maar de jongste jaren is er een kentering ingetreden. Mijn ogen zijn veranderd. Ik zie alles wat kortbij is scherper, ik heb niet meer echt een bril nodig om te lezen of om op de computer te werken. Maar ik wil ook niet meer zonodig alles zien. Als ik zoals vanavond alleen op restaurant zit en mijn avondmaal wil verorberen, zet ik bij voorkeur mijn bril af zodat ik mijn maaltijd nog nauwlettend in het oog kan houden, maar het mij omringende gezelschap in een onscherpe waas kan genieten. Zo vorm ik als het ware een bubbel rondom mij zonder dat mijn omgeving zich van mij bewust is. Een beetje zoals mijn moeder als ze opzettelijk haar hoorapparaat vergeet in te schakelen om zo de ruis van de wereld niet te hoeven horen. Vaak is minder meer.
Onbekend

Oostende is een promiscue havenstad van vissers, piraten en matrozen. Zowat iedereen heeft er de beste vriendin van zijn of haar beste vriend afgesnoept en al dan niet teruggewonnen, het vergt een bijzonder sociaal radar om in kaart te houden wie kinderen met wie heeft en wie nog met elkaar omgaat of niet. Brenda heeft een boekje met namen van al haar vrijers en naar verluidt staan daar meer dan 100 namen in, niets in vergelijking met het boekje van Leporello, maar toch, het geeft een idee.
Ik heb als Maaslandse jongen het geluk er dankzij mijn bevallige Tieltse levenspartner in een warm nest van vrijzinnige en andere weldenkende vrienden te zijn terechtgekomen. We bouwden er vanuit een bestaande zaak een eigen kunstgalerie uit, met ieder weekend weer nieuwe passanten die ons ontdekken en appreciëren. Klanten, kunstenaars, curatoren, politici… er gaat geen dag voorbij of we komen al wandelend vrienden en kennissen van allerlei slag tegen, tijd voor een koffie, een etentje met garnaalkroketten of een glaasje wijn. Meer nog, sommige vrienden zijn door ons hier terechtgekomen of hebben elkaar hier door ons ontmoet.
En toch is alles zo vluchtig als terpentijn. Als ik op een regenachtige zondagavond alleen door de stad naar een eetgelegenheid zoek, staren mij alleen maar vreemde gezichten aan vanuit de cafés en restaurants. Vrienden zijn ziek of dood, blijven thuis, zijn op vakantie of in een ziekenhuis of instelling – soms zijn er maar enkele maanden of jaren nodig om van jou een complete onbekende te maken op een plek waar je je kind aan huis voelde. Dit alles is maar voor heel even onze habitat, voor je het weet herken je niemand meer en ben je een onzichtbare toeschouwer, een immer rondwarende Ahasverus.
